12/09/2026

Antieke knapenliefde herbekeken: De receptie en functie van antieke pederastie in hedendaagse discours

Masterproef Geschiedenis van de Oudheid KU Leuven 2025-2026

Met deze masterproef sluit ik mijn studieloopbaan binnen Geschiedenis van de Oudheid af. Om het in de woorden van Catullus te plaatsen: odi et amo. Ik heb gezwoegd, gezweet en gehuild, maar ik zou het allemaal opnieuw doen. De kennis en vaardigheden die ik tijdens mijn opleiding heb verworven, zal ik de rest van mijn leven met mij meedragen. De warmte en professionaliteit die mijn professoren aan de dag hebben gelegd, zijn bewonderingswaardig. Met heel veel trots en enige heimwee zal ik terugkijken op mijn opleiding.

Woorden van dank zijn op hun plaats. Eerst een vooral wil graag mijn promotor, professor Toon Van Houdt, bedanken. Gebeten door zijn vak ‘Mentaliteitsgeschiedenis van de Oudheid’ heb ik mijn interesseveld gevonden. Tijdens het schrijven van mijn masterproef hebben zijn kritische blik, zijn nauwgezette opvolging en professionaliteit mij ertoe gedreven het best mogelijke werk af te leveren. Verder wil ik mijn dank uitspreken aan Peter Faes, mijn leerkracht Latijn uit de derde graad. Hij heeft mee zijn schouders gezet onder mijn thesis en mij nauwgezet opgevolgd om ervoor te zorgen dat ik een resultaat kon neerzetten waarop ik trots kan zijn. Tot slot: bedankt aan mijn familie en vrienden. Aan mijn ouders: jullie hebben mij de kans gegeven mijn passie na te streven. Jullie hebben onvoorwaardelijk achter mij gestaan, ook wanneer ik wel eens met mijn hoofd tegen de muur botste. Aan mijn vrienden: Nam et secundas res splendidiores facit amicitia, et adversas, partiens communicansque, leviores (Cicero). Aangezien slechts weinigen van jullie over een kennis van het Latijn beschikken, plezier ik jullie met een vrije vertaling: want vriendschap vergroot het geluk en vermindert de ellende, door onze geluksmomentjes te verdubbelen en ons verdriet te delen.

Ik ben mij ervan bewust dat ik voor mijn masterproef een precair onderwerp heb gekozen. Daarom wil ik mijn persoonlijk standpunt duidelijk in de verf zetten: ik ben tegen seksuele betrekkingen en relaties tussen minderjarigen en meerderjarigen. Voor mijn onderzoek was het echter noodzakelijk om de Oudheid en haar praktijken vanuit hun historische context te benaderen, zonder een subjectief standpunt in te nemen. Ook in de casestudies heb ik getracht de standpunten te analyseren zonder een waardeoordeel te vellen. Dat doet echter niets af aan mijn persoonlijke waarden en normen.

 

Inleiding

Het antieke fenomeen van pederastie, de pedagogische en seksuele relatie tussen een volwassen man en een jonge knaap, spreekt vandaag nog steeds tot onze verbeelding. Binnen de Griekse, en meer bepaald de Atheense samenleving, kende zij een geïnstitutionaliseerde plaats. Ook de Romeinen beoefenden pederastie op hun eigen manier. Er bestonden in de Oudheid echter al uiteenlopende visies op de praktijk, gaande van aanvaarding tot sterke afwijzing. Een modern begrip dat vaak geassocieerd wordt met pederastie, is pedofilie. Het begrip ontstond veel later, in de negentiende eeuw, en wordt gehanteerd binnen psychiatrische en juridische kaders. De theoretische hoofdstukken over pederastie en pedofilie trachten de complexiteit van beide begrippen bloot te leggen. De associatie tussen beide vindt plaats op verschillende niveaus, zowel in academische en activistische discoursen. Hierdoor stuiten we echter op een methodologisch vraagstuk: wat gebeurt er als we beide begrippen, die gebonden zijn aan hun eigen historische context, met elkaar verbinden?

Concreet wil deze masterproef onderzoeken in hoeverre antieke pederastie een rol speelt in hedendaagse discoursen of praktijken van erotisch-seksuele omgang met minderjarigen en welke mogelijkheden en beperkingen daaraan verbonden zijn. De onderzoeksvraag valt op te delen in drie deelvragen: hoe wordt er historisch een onderscheid gemaakt tussen antieke pederastie en moderne pedofilie? Hoe wordt de Oudheid ingezet in verschillende hedendaagse discoursen? En wat gebeurt er wanneer een historisch fenomeen uit zijn context wordt getrokken om te worden ingezet in vraagstukken over moderne concepten zoals seksualiteit, toestemming, leeftijdsgrenzen en identiteit? De Oudheid functioneert hier niet enkel als studieobject. Ze dient als cultureel ankerpunt waarnaar moderne beweringen verwijzen als legitimatie.

De theoretische kaders worden uiteengezet in twee delen. Eerst worden de kaders rond de begrippen ‘pederastie’ en ‘pedofilie’ geconstrueerd. Voor pederastie wordt als volgt te werk gegaan: eerst wordt aandacht besteed aan de terminologie. Vervolgens wordt onderzocht welke structuur en invulling de relatie kreeg. Daarna wordt een beeld geschetst van de sociale en culturele context waartegen zij geplaatst moet worden. Ook de Romeinse invulling komt aan bod. Afsluitend worden de belangrijkste moderne debatten belicht. Voor pedofilie wordt als volgt te werk gegaan: eerst wordt de geschiedenis van het begrip geschetst en vervolgens wordt onderzocht wat pedofilie juist inhoudt. Daarna komen de alternatieven voor het begrip ‘pedofilie’ en de DSM aan bod, gevolgd door pedofilie en seksueel misbruik van kinderen vanuit juridisch perspectief. Tot slot wordt een vergelijking gemaakt met pederastie.

Daarna zullen deze kaders gebruikt worden om drie verschillende vormen van moderne receptie te analyseren: het academische en activistische discours. Voor het academische discours is gekozen voor de casus van professor Thomas K. Hubbard en zijn spraakmakende artikel Sexual Consent and the Adolescent Male, or What Can We Learn from the Greeks? De activistische casestudie behandelt op zijn beurt zowel de Amerikaanse North American Man-Boy Love Association (NAMBLA) als het Nederlandse tijdschrift PAN: A Magazine About Boy-Love. Er zal telkens op dezelfde manier te werk worden gegaan. Eerst wordt de casus geschetst en wordt de centrale these die naar voren komt uiteengezet. Daarna wordt bekeken welke functie de Oudheid draagt binnen het betoog en wordt die kritisch geanalyseerd. Tot slot wordt telkens een evaluatie gemaakt om tot een conclusie te komen over hoe de Oudheid wordt gebruikt en of daarbij grenzen worden overschreden die vanuit historisch perspectief problematisch zijn. Deze masterproef tracht niet te bepalen of deze discoursen juist of fout zijn, maar wil blootleggen hoe historische argumenten worden ingezet en waar historische analyse kan overgaan in normatieve toepassingen.

Het is vanzelfsprekend dat het onderzoek naar antieke pederastie een lange historiografische traditie kent. De monografie Eros adolescent van Félix Buffière tracht het historische fenomeen in kaart te brengen, waarbij hij inzoomt op het pedagogische aspect, de leeftijdsgrenzen en de verschillen tussen de Griekse poleis.  William Armstrong Percy probeerde in Pederasty and Pedagogy in Archaic Greece de oorsprong van knapenliefde in kaart te brengen en te onderzoeken welke rol pedagogiek speelde binnen de relatie. Andere noemenswaardige studies zijn die van Kenneth Dover en Michel Foucault. Zij benadrukken dat moderne categorieën zoals homo- en heteroseksualiteit niet probleemloos kunnen worden toegepast op de Oudheid. Ze wijzen daarbij op de belangrijke dichotomie tussen de actieve en passieve seksuele rol. Belangrijke modernere debatten zijn terug te vinden bij David Cohen en Julia Shapiro. Cohen stelt dat er niet zoiets bestaat als dé antieke pederastie, maar dat er in de Oudheid al tegengestelde opvattingen over bestonden. Pederastie balanceerde volgens hem voortdurend tussen sociale erkenning, eer en mogelijke afkeuring. Shapiro kaart aan dat de klassieke visie op pederastie, namelijk dat het enkel een praktijk was die door de elite werd beoefend, enige nuance nodig heeft.

Ook pedofilie kent een uitgebreid arsenaal aan onderzoek, voornamelijk binnen de psychiatrie, psychologie, seksuologie en criminologie. Sinds de intrede van het begrip kende het een hobbelig parcours wat de definiëring ervan betreft, bijvoorbeeld als seksuele voorkeur, deviantie of stoornis, wat de leeftijdsafbakening betreft en in de verhouding tot begrippen zoals hebefilie en efebofilie. Het debat rond pedofilie wordt bovendien gekenmerkt door de heersende maatschappelijke visies en kaders. Zo moet rekening worden gehouden met het veranderde kindbeeld, het begrip toestemming, machtsverhoudingen en de groeiende aandacht voor mogelijke psychologische schade. Dat wordt voornamelijk bekeken aan de hand van de colleges criminologie, gegeven door professor Dirk Van de Putte (2023), en de colleges seksuologie, gegeven door professor Rick Roels (2025), beiden aan de KU Leuven.

Zoals blijkt uit de status quaestionis is er uitvoerig onderzoek gebeurd naar de afzonderlijke concepten ‘pederastie’ en ‘pedofilie’. Er is echter minder aandacht besteed aan de moderne perceptie van antieke knapenliefde en de manier waarop zij wordt ingezet in verschillende discoursen. Deze masterproef beoogt daarom niet enkel onderzoek te bieden naar de invulling van beide concepten, maar vooral naar de functie die de Oudheid krijgt binnen academische en activistische casussen. Bij Hubbard wordt het Atheense model als uitgangspunt gebruikt om de hedendaagse begrippen van toestemming en seksuele meerderjarigheid in vraag te stellen. Binnen NAMBLA en PAN wordt de Oudheid ingezet om historische continuïteit aan te tonen, als positief alternatief en als mogelijkheid waartegen boy-lovers hun identiteit kunnen afspiegelen. Door deze verschillende recepties te onderzoeken en naast elkaar te plaatsen, wil deze masterproef aantonen hoe de Oudheid functioneert binnen huidige debatten en waar de methodologische grenzen liggen wanneer een historische praktijk uit haar oorspronkelijke context wordt gehaald en wordt ingezet om moderne maatschappelijke vraagstukken te ondersteunen.

 

 

Pederastie

De praktijk die in de moderne geschiedschrijving wordt aangeduid als pederastie of antieke knapenliefde vormt een veelbesproken en uitdagend onderwerp. Om pederastie adequaat te benaderen, is het noodzakelijk ons eerst te verdiepen in het concept en de concrete invulling ervan aan de hand van de meest belangrijke en recente wetenschappelijke inzichten. De studie vangt aan met het Griekse kader van knapenliefde, aangezien die doorgaans wordt beschouwd als de bakermat van de praktijk en de context waarin zij het duidelijkst geïnstitutionaliseerd was. Gezien haar specifieke invulling fungeert de Griekse knapenliefde, meer bepaald de Atheense, als het voornaamste referentiekader voor vergelijkend onderzoek. In de latere hedendaagse casestudies zal dan ook meestal naar dat model worden teruggegrepen. Eerst wordt de relevante terminologie verduidelijkt, vervolgens worden de structuur, de invulling van de relatie en de bredere sociale en culturele context geanalyseerd. Daarna verschuift de focus naar de Romeinse pederastie, waarbij aandacht uitgaat naar de overeenkomsten en verschillen met de Griekse invulling. Tenslotte worden de voornaamste recente debatten besproken die relevant zijn voor de interpretatie van het onderwerp.

 

Terminologie

De terminologie die gebruikt wordt in de studie van antieke pederastie vormt een belangrijk methodologisch aandachtspunt. De term ‘pederastie’ heeft in de loop der tijd verschillende betekenissen gekregen. Het wordt in moderne debatten betreffende seksuele relaties tussen volwassenen en minderjarigen doorgaans vermeden. De termen pedofilie en efebofilie, ingebed in een medisch-psychologisch en juridisch discours, worden eerder gehanteerd. In het tweede hoofdstuk van deze masterproef zullen we ons verdiepen in het hedendaagse begrip van pedofilie. Binnen de context van de geschiedenis van de Oudheid blijft pederastie echter de gangbare term om het specifiek historisch fenomeen, de antieke knapenliefde, te beschrijven. Dat houdt in: de sociaal gestructureerde relatie tussen een adolescent en een volwassen man in Griekenland en, in gewijzigde vorm, in Rome.

De term ‘pederastie’ is afgeleid van het Griekse παιδεραστία (liefde voor de jongeling), samengesteld uit παῖς (jongen of kind) en ἐράω (liefhebben of verlangen).7 Een volwassen man die genegenheid voelde voor een jonge knaap kon worden aangeduid als παιδεραστής. Plato gebruikt ook de term van φιλεραστής (liefhebbende minnaar). Dat begrip komt zelden voor in de antieke bronnen en dan nog enkel binnen filosofische contexten, omdat het meer inspeelt op de emotionele band tussen de knaap en de man. Etymologisch verwijzen de twee aangehaalde begrippen naar de liefde voor jongens, maar in de antieke context verwezen ze niet naar een specifieke relatievorm of afgebakende seksuele identiteit. De inhoud van de relatie tussen een jongeling en een volwassen man kon sterk verschillen. De band kon pedagogisch, affectief en/of erotisch van aard zijn. Daarbij sloot het aangaan van een seksuele relatie met een knaap een seksuele relatie met een vrouwelijke partner niet uit. Recente studies benadrukken dat het gebruik van dergelijke overkoepelende termen het risico inhoudt op anachronistische interpretaties, waarbij moderne conceptuele kaders op het verleden worden geprojecteerd. Om die problematiek te vermijden, zullen we in dit hoofdstuk de verschillende invullingen van het concept nader analyseren en aantonen dat pederastie een diverse reeks praktijken en representaties omvat.

Binnen de antieke bronnen zijn de meest voorkomende relationele termen ‘eromenos’ (ἐρώμενος, geliefde) en ‘erastes’ (ἐραστής, liefhebber). Een sprekend kenmerk van de Griekse knapenliefde is dat het altijd vrije burgers betrof. De ‘eromenos’ viel onder de categorie ‘παῖς’ en verwees naar een jongen die de puberteit doormaakte. Zijn leeftijdsbereik wordt ergens tussen twaalf en achttien jaar geschat, maar die grenzen waren niet vaststaand. Belangrijker dan de leeftijd waren de lichamelijke veranderingen. Wanneer de adolescent de fysiologische kenmerken van een volwassen man vertoonde, zoals baardhaar, betekende dit dat hij de fase van ‘eromenos’ ontgroeid was. Hij was niet langer geschikt als geliefde van een ‘erastes’ en de relatie moest beëindigd worden. Het was niet ongebruikelijk dat de ‘eromenos’ later op zijn beurt de rol van ‘erastes’ aannam. De ‘erastes’ was op zijn beurt een volwassen man, meestal ergens tussen de twintig en vijfendertig jaar. Ook die leeftijdsgrenzen waren flexibel.

Een ander aandachtspunt zijn de moderne categorieën homo-en heteroseksualiteit, die ook vaak gehanteerd worden in debatten omtrent pederastie. Dergelijke moderne categorieën zijn echter niet zomaar toepasbaar op de Oudheid. Het is verleidelijk pederastie te plaatsen binnen de categorie homo-erotiek, maar dat is niet geheel correct. In de Oudheid dacht men niet binnen de dichotomie van homo- en heteroseksualiteit. Gedrag werd eerder gestructureerd volgens een model van activiteit en passiviteit. Dat model correspondeerde met het mannelijk-vrouwelijk- model, waarbij activiteit aan viriliteit werd gekoppeld en passiviteit aan vrouwelijkheid. Zo was het mannelijk om de actieve rol aan te nemen binnen een relatie: een geliefde het hof maken, de actieve rol in de seksuele sfeer aannemen. Zo bevond de ‘erastes’ zich op de schaal aan de mannelijke en actieve zijde, waarbij hij de liefde van de ‘eromenos’ nastreefde. Hij nam ook de actieve rol aan in seksuele praktijken, waarbij hij degene was die penetreerde. Hoewel de ‘eromenos’ binnen de relatie een meer ontvankelijke positie innam, bleef hij een toekomstige volwassen burger. Zijn tijdelijke ondergeschiktheid mocht daarom niet ontaarden in een blijvende feminisering. Seksualiteit werd niet opgevat als een stabiele identiteit, maar als een aspect dat paste bij de sociale rol en de levensfase waarin iemand zich bevond. Zoals gezegd, kon een ‘eromenos’ op zijn beurt een ‘erastes’ worden. Daarom moet pederastie bekeken worden als een categorie op zich, losstaand van onze normatieve hedendaagse begrippen.

 

De structuur en de invulling van de relatie

In wat volgt wordt de structuur en de invulling van de relatie tussen de ‘erastes’ en ‘eromenos’ nader geanalyseerd. Het is van belang de relatie niet louter te reduceren tot de seksuele interactie, maar die te begrijpen als een cultureel ingebed fenomeen. De keuze van een ‘eromenos’ was niet willekeurig, maar werd gestuurd door de idealen van καλοκἀγαθία. De ‘eromenos’ was een adolescent die uitblonk in zowel schoonheid als morele deugdzaamheid. De relatie vond plaats tijdens de overgangsfase naar volwassen burgerschap en diende als een vorm van sociale en morele mentorship. Tegelijkertijd bestonden er duidelijke normen en grenzen omtrent de leeftijd en de gepastheid. Zoals eerder aangegeven moest de relatie beëindigd worden wanneer de adolescent volwassen lichamelijke kenmerken vertoonde. Ook relaties met prepuberale jongens werden afgekeurd. Het was een aanval op de onschuld van het kind en op de eer van de familie.

Hoewel moderne interpretaties vaak de nadruk leggen op de fysieke interactie binnen de relatie, suggereren de antieke bronnen dat de seksuele handelingen slechts één aspect vormden van een bredere band. Hofmakerij, wederzijds verlangen en de persoonlijke begeleiding speelden een centrale rol. Het werd gezien als een ideale manier voor de adolescent om zich te ontwikkelen en zich te kunnen spiegelen aan een waardig voorbeeld. De literaire bronnen verdiepen zich minder uitvoerig in de fysieke dimensie van de relatie, wat niet vreemd is aangezien seksualiteit in de Oudheid zich in de privésferen moest situeren. Opvallend is de schijnbare tegenstelling met de iconografische bronnen, met name de Attische vaaskunst, waarop de fysieke dimensie relatief vaak wordt afgebeeld. Van Hooff verklaart dat verschil vanuit de uiteenlopende functies van beide bronnen. Literaire bronnen leggen doorgaans de nadruk op de filosofische en pedagogische betekenis van de relatie. De Attische vazen kwamen op hun beurt vaak voor op drinkgelagen, in een sfeer van dronkenschap, sociale interactie en erotiek. Het is dan ook niet verrassend dat de fysieke dimensie van de relatie juist binnen die context explicieter werd weergegeven.17 In theorie was het fysieke aspect in Kreta en Sparta verboden, maar men gaat ervan uit dat hier in de praktijk zelden zwaar aan werd getild.18 In het Klassieke Athene was pederastie het meest voorkomend. Het was een geïnstitutionaliseerde praktijk, gereguleerd via νόμοι (wetten en gebruiken), waarbij seksuele handelingen konden en mochten plaatsvinden.

Zowel literaire bronnen als iconografisch materiaal, voornamelijk Attische vaaskunst, vertellen meer over wat die seksuele interacties precies inhielden. Tot de meest voorkomende thema’s behoorden hofmakerij, de mythe van Zeus en Ganymedes, affectieve uitwisselingen zoals kussen en omhelzen, en diverse vormen van lichamelijke interactie tussen de billen en de dijen. Bepaalde vormen van penetratie konden als problematisch beschouwd worden, aangezien zij de sociale positie van de’ eromenos’ in het gedrang konden brengen. Hoewel hij binnen de relatie een relatief meer passieve rol innam, bleef hij een toekomstige volwassen burger. Een te uitgesproken receptieve seksuele rol kon daarom worden geassocieerd met een ongewenste feminisering. Daarom lijkt in de iconografie een voorkeur te bestaan voor intercrurale seks boven anale penetratie. Doordat de adolescent daarbij rechtop kon blijven staan, bleef zijn symbolische mannelijkheid behouden.

De relatie moest idealiter functioneren binnen een kader van σωφροσύνη (zelfbeheersing). De man mocht zich niet nadrukkelijk richten op het lichamelijk genot. Dat werd beschouwd als een aantasting van de zedelijkheid. Zijn verlangens dienden te allen tijde binnen beperkte grenzen te blijven. Ook de adolescent stond onder dergelijke beperkingen. Van hem werd niet verwacht dat hij openlijk lichamelijk plezier of seksueel verlangen zou tonen. Dat komt naar voren in de Attische vaaskunst, waarin de ‘eromenos’ doorgaans zonder erectie wordt afgebeeld. Die iconografische weergave benadrukt zijn zelfbeheersing en toont dat de ‘ideale’ pederastische relatie niet louter door seksuele lusten werd bepaald.

 

De sociale en culturele context

Om de sociale en culturele context te begrijpen, is het noodzakelijk om stil te staan bij de vraag naar de historische situering en ontwikkeling van het fenomeen. De oorsprong van de Griekse pederastie is moeilijk eenduidig te reconstrueren. Voor de Minoïsche en Myceense beschaving bestaan geen duidelijke bewijzen dat pederastie als verankerde praktijk bestond. Ook de vroegste literatuur, zoals de werken van Homeros, bevat geen ondubbelzinnige beschrijvingen van relaties tussen ‘eromenos’ en ‘erastes’. Hoewel er duidelijke sprake was van intense mannelijke vriendschapsbanden, zoals die tussen Achilles en Patroklos, werden die relaties niet voorgesteld volgens het institutionele model dat later kenmerkend zal worden aan de Archaïsche en Klassieke periode. Sommige historici hebben de oorsprong van de geïnstitutionaliseerde praktijk in verband gebracht met Dorische initiatiepraktijken waarbij een adolescent ontvoerd werd en tijdelijk uit de gemeenschap verwijderd werd. In de historiografie wordt de opkomst van pederastie gesitueerd rond de zevende-zesde eeuw v.Chr. Het oudste object waarop een pederastische scène te zien is, is een bronzen Kretenzische plaat uit de zevende eeuw v.Chr.24 Vanaf de late zevende eeuw gaan Griekse mythografen ‘eromenoi’ toekennen aan de goden en gaat de relatie tussen Achilles en Patroklos geïnterpreteerd worden als een pederastische relatie.

Over de oorzaken van de ontwikkeling van de praktijk bestaat geen eensgezindheid. Binnen de moderne historiografie is meermaals gewezen op het patroon dat mannen in de Archaïsche periode relatief later huwden, terwijl meisjes op jonge leeftijd werden uitgehuwelijkt. Percy merkt op dat een gelijkaardige verklaring reeds in de negentiende eeuw door Nietzsche werd geformuleerd. Die haalde dat leeftijdsverschil aan als verklaring voor het ontstaan van pederastie als geïnstitutionaliseerde praktijk. Volgens die opvatting zou de periode tussen het ontwaken van seksuele driften en het huwelijk zijn opgevuld door een relatie met een volwassen man. Die interpretatie is echter niet onomstreden en wordt vandaag doorgaans als te eenzijdig beschouwd. Wat daarentegen duidelijker uit het bronnenmateriaal blijkt, is dat pederastie zich ontwikkelde binnen specifieke sociale en culturele contexten, met name binnen de elite in de Griekse poleis. In bepaalde culturen, zoals Kreta en Sparta, blijkt duidelijk dat pederastie verweven was met opvoedings- en initiatiestructuren. Daarbij is er steeds een sterke link terug te vinden tussen het militaire karakter waarop de Griekse samenleving was gebaseerd en knapenliefde. De uitgesproken militaire oriëntatie van Sparta gecombineerd met de sterke scheiding der geslachten maakt het dan ook niet geheel verrassend dat pederastie daar een gevestigde plaats innam.

Daarnaast speelde het lichamelijke en esthetische karakter van de Grieken een cruciale rol. In de gymnastische omgeving, waar het mannelijke naakte lichaam centraal stond, vond een symbiose plaats tussen de vrouwelijke gratie waarover de adolescent nog beschikte en de rijpende mannelijke kracht die naar voren kwam tijdens de krachttrainingen. De band tussen een ‘erastes’ en zijn ‘eromenos’ doet ook sterk denken aan de band tussen een filosoof en zijn leerling. De filosoof gaf de geest van zijn geliefde leerling mee vorm. Ook andere sociale praktijken droegen bij aan de inbedding van pederastie in de Griekse cultuur, zoals het symposium, paleizen en andere elite-instellingen. Dergelijke relaties konden daar ontstaan en onderhouden worden. Die samenhang van militaire, educatieve, esthetische en sociale factoren verklaart waarom pederastie kon uitgroeien tot een herkenbaar kenmerk van de Griekse beschaving.

Het klassieke Athene neemt een bijzondere plaats in, aangezien de meeste literaire en iconografische bronnen hieruit afkomstig zijn. Hoewel geïnstitutionaliseerde pederastie hier het meest zichtbaar is, betekent dat niet dat de praktijk geheel onproblematisch was of universeel aanvaard werd. Een pederast werd niet per definitie negatief beoordeeld, omdat de praktijk een pedagogische dimensie had, geassocieerd werd met de sociale elite en omdat de ‘erastes’ zijn actieve rol behield. Zodra de relatie echter een commercieel karakter kreeg, doordat seksuele gunsten van de ‘eromenos’ tegen betaling werden verleend, werd de praktijk als prostitutie beschouwd en sociaal afgekeurd. Hubbard stelt dat de houding tegenover pederastie gaandeweg negatiever werd naarmate de democratie aan invloed won en de samenleving zich afkeerde van de geconcentreerde macht van de aristocratische elite en haar gebruiken. Die redenering veronderstelt echter dat pederastie uitsluitend een praktijk van de elite was. Hoewel het aannemelijk lijkt dat vooral de burgerklasse zich eraan konden wijden, beschikken we niet over bronnen uit de niet-burgerklasse, waardoor hierover geen definitieve uitspraken mogelijk zijn.

 

De Romeinse invulling

Het begrip ‘pederastie’ raakte eveneens bekend in het Romeinse Rijk door het contact met de Griekse cultuur en dus ook met de Griekse praktijk van pederastie. Hoewel seksuele relaties tussen een adolescent en een volwassen man ook in Rome voorkwamen, kregen zij een andere maatschappelijke en juridische invulling dan in Griekenland. Het is daarom foutief om het Griekse en het Romeins model als gelijk te stellen. Romeinse pederastie kreeg een andere invulling.

Enkele belangrijke verschillen moeten benoemd worden. In tegenstelling tot de Griekse praktijk was Romeinse pederastie niet geïnstitutionaliseerd. Daarmee wordt bedoeld dat relaties tussen volwassen mannen en adolescenten in Rome niet op dezelfde manier waren ingebed als in het Oude Griekenland. In bepaalde Griekse contexten maakte pederastie deel uit van de opvoeding en socialisatie van een vrijgeboren jongeman. De oudere partner vervulde een pedagogische rol. Rome volgde het model, waarin een volwassen man instond voor de vorming van een vrijgeboren adolescent, niet. Daarbij vonden dergelijke relaties in Rome enkel plaats tussen een volwassen vrije man en een jongen van slavenstatus, een vrijgelatene of een prostituee, maar niet met een vrijgeboren jongen. De pedagogische dimensie, die centraal stond bij Griekse pederastie, trad nu minder op de voorgrond. De component van seksuele bevrediging nam een prominentere plaats in. Dat de Romeinen hun eigen interpretatie gaven aan de pederastische praktijk, blijkt uit hun invulling van de mythe van Zeus en Ganymedes. Het verhaal en de iconografie werden aangepast aan Romeinse maatstaven. Hoewel Ganymedes, zoals in de Griekse traditie, een Trojaanse prins bleef, werd hij in de Romeinse traditie vaak voorgesteld als dienaar of schenker van Jupiter. Die voorstelling sloot beter aan bij het Romeinse seksuele moraal, waarbij een relatie tussen een volwassen man en een sociaal lager geschikte adolescent gangbaar was. Het belang van de sociale status van de jongere partner mag niet onderschat worden. Seksuele betrekkingen met een vrijgeboren jongen werden beschouwd als stuprum (onzedelijk seksueel gedrag). Niet het geslacht van de partner, maar diens sociale status bepaalde de aanvaardbaarheid van de relatie.

De houding van de Romeinen ten opzichte van pederastie evolueerde wel doorheen de Romeinse geschiedenis. Vanaf de tweede eeuw v.Chr., toen de invloed van de Griekse cultuur sterk toenam binnen Romeinse kringen, ontstonden binnen Rome verschillende uiteenlopende houdingen ten opzichte van pederastie. Enerzijds won die aan populariteit binnen bepaalde kringen, anderzijds boden conservatieve lui weerstand tegen de zogenaamde verderfelijke invloed van de Grieken.

In dat kader werd de Lex Scantinia, het verbod op seksuele betrekkingen met vrijgeboren minderjarige jongens, als referentiepunt gehanteerd. Daarnaast werd de mogelijke passieve rol die een volwassen man zou kunnen aannemen, sterk veroordeeld. Verschillende Romeinse auteurs schreven de vermeende verwijfdheid van de Grieken toe aan hun levensstijl. De auteurs keken neer op het gymnasium, waar lichamelijke schoonheid en naaktheid centraal stonden. Dat stond haaks op het traditionele Romeinse ideaalbeeld van mannelijkheid, zelfbeheersing, militair heldhaftigheid en de mos maiorum. Tijdens de Late Republiek kwamen seksuele relaties tussen twee personen van het mannelijke geslacht steeds meer onder vuur te liggen. Beschuldigingen hiervan werden ook steeds meer ingezet in retorische en politieke aanvallen. Daarbij werd het door sommigen ook gezien als een kenmerk van het moreel verval dat Rome doormaakte.

Vanaf de keizertijd ontstaat een opvallende paradox. Enerzijds bleef de belangstelling voor de Griekse cultuur (filhellenisme) groot en won die zelfs aan belangstelling. De Lex Scantinia was vermoedelijk zo goed als dode letter. Verschillende keizers werden in antieke bronnen in verband gebracht met de praktijk, met name Tiberius, Caligula, Nero, Galba, Otho, en in het bijzonder Hadrianus. Vooral de relatie van keizer Hadrianus met Antinous kreeg uitzonderlijke bekendheid. De relatie werd vaak voorgesteld in termen van hartstochtelijkheid, passie en verbondenheid, wat dichter aansloot bij het Griekse invulling van pederastie. De controverse die volgde, had minder betrekking op de relatie zelf en meer op het intense rouwproces dat Hadrianus vertoonde na het plotse overlijden van Antinous. Hij liet de jongen onder andere vergoddelijken.Anderzijds werd vanaf de Late Keizertijd de wetgeving omtrent seksualiteit tussen mannen geleidelijk strenger. Onder invloed van het christendom verschenen verschillende edicten die relaties tussen twee mannelijke partners limiteerden, mannelijke prostitutie niet toestonden en uiteindelijk seks tussen twee mannelijke partners verboden. Waar dergelijke relaties voorheen beoordeeld werden op basis van sociale status, leeftijd en de actieve of passieve rol van de partners, kwam vanaf de christelijke keizertijd steeds meer de seksuele handeling op zichzelf centraal te staan. Seksuele relaties tussen mannelijke partners werden als onaanvaardbaar gezien, ongeacht de sociale status van beide partijen.

 

Belangrijkste (moderne) debatten

De studie van antieke knapenliefde wordt gekenmerkt door een intens historiografisch debat, waarbij historici trachten de aard en de sociale en culturele functie te achterhalen zonder te vervallen in anachronistische denkpatronen. Recent onderzoek heeft aangeduid dat het essentieel is aan te kaarten dat er niet zoiets bestond als dé pederastie. Elke tijd en ruimte kende zijn eigen invulling. Ook in het Antieke Athene bestond er geen eenduidig standpunt. Integendeel, het beschikbare bronnenmateriaal wijst op een sterke dubbelzinnigheid en op de interne spanningen in de Atheense samenleving.40 In dit segment komen de belangrijkste debatten aan bod, met bijzondere aandacht voor de interpretaties van David Cohen en Julia Shapiro.

Het belangrijkste standpunt van David Cohen is dat de antieke pederastie niet kan geïnterpreteerd worden als een ondubbelzinnige praktijk. Ook binnen de Atheense polis waren de meningen verdeeld. Het fenomeen is onlosmakelijk verbonden met ambiguïteit en ambivalentie. Hij stelt dat het eenduidige model van activiteit en passiviteit geen rekening houdt met de nuances die er bestonden rond de praktijk van antieke knapenliefde. Academici zoals Kenneth Dover en Michel Foucault benadrukten het belang van het dichotomische model (actief- passief), aangezien de hedendaagse terminologie van hetero- en homoseksualiteit niet zomaar kan worden toegepast op de Oudheid. Cohen stelt echter dat het dichotomische model te eenzijdig is. Seksualiteit behoorde in de Griekse samenleving tot taboe. Het vond uitsluitend plaats in de privésferen. De ambiguïteit die errond heerst, is ook terug te vinden in het wettelijk kader. Het niet verbieden van bepaalde seksuele handelingen impliceert niet noodzakelijk dat zij sociaal aanvaard werden. Cohen argumenteert dat een aanklacht van hubris mogelijk was met betrekking op pederastie, indien de reputatie of de eer van de familie werd geschonden. Dat wijst op een reële bezorgdheid over sociale consequenties van dergelijke relaties.

Een van de belangrijkste bevindingen van Cohen was dat eer en seksualiteit onlosmakelijk verbonden waren met elkaar. Een ‘erastes’ verwerft eer wanneer zijn hofmakerij succes kende, maar dat hield een nederlaag voor de ‘eromenos’ in. De adolescent kwam volgens Cohen dan in een vrouwelijke rol terecht waarin hij zich onderdanig moest opstellen ten opzichte van zijn minnaar. Hiermee liep de jongeman het risico zijn reputatie te verliezen. De ene zijn eer ging ten koste van de andere. Hij beschrijft dat als een zero-sum game. Tegelijkertijd moest de ‘eromenos’ te allen tijde het ideaal van zelfbeheersing implementeren en zijn seksuele verlangens onder controle houden. Die wederzijdse spanning maakte dat pederastische relaties voortdurend balanceerden tussen sociale erkenning en morele problematisering.

Een andere kwestie dat Cohen aanhaalt is de fundamentele tegenstelling die eigen is aan pederastie. De filosofische opvattingen schetsen een ideaalbeeld van vriendschap, terwijl de maatschappelijke norm een relatie was die balanceerde tussen een pedagogische en een seksuele invulling. Volgens Cohen was de grens tussen wat als acceptabel werd gezien en wat als ongepast werd geacht, zelden duidelijk afgebakend. Wat aanvaardbaar was, varieerde in plaats, tijd en ruimte. Die ambiguïteit bood de ruimte voor sociale manipulatie. Bepaalde individuen konden gebruik maken van het systeem in functie van eigenbelang. Ook kaarten bepaalde komedies aan dat pederastie en prostitutie dicht bij elkaar lagen. De ‘eromenos’ kreeg vaak geschenken van zijn minnaar. Dan valt er dus te spreken van een materiële uitwisseling, die sterk doet denken aan de betaling voor een prostituee.

Een tweede belangrijk debat haalt Julia Shapiro aan in ‘Ancient Seks: New Essays’. Ze stelt in vraag in welke mate de antieke visie op pederastie verschilde tussen elite- en niet-elite. De traditionele opvatting is dat pederastie een exclusief elitefenomeen was. Shapiro argumenteert echter dat die opvatting genuanceerd moet worden. Volgens haar zijn de morele opvattingen over pederastie van enerzijds de elite en anderzijds de niet-elite, niet zo heel verschillend. In zowel filosofische teksten (eerder geassocieerd met de elite) als in populaire werken zoals komedies en redevoeringen staan dezelfde criteria centraal: pedagogiek, respect en wederkerigheid. Kritiek richt zich doorgaans niet op pederastie an sich, maar op misbruik en gebrek aan zelfbeheersing. Volgens Shapiro presenteren redevoeringen waarden en normen omtrent pederastie, die ook de demos toebehoren. Dat suggereert dat de culturele betekenis van pederastie verder reikte dan de beperkte kring van aristocratische elites.

De besproken debatten tonen aan dat ook in de Oudheid geen unanieme visie bestond op de pederastische praktijk. Zowel de antieke bronnen, als de moderne historiografie duiden op complexe en vaak tegenstrijdige normen, praktijken en representaties. Pederastie werd in bepaalde poleis toegestaan of verboden, gewaardeerd of bekritiseerd. De band kon opvoedkundige voordelen met zich meebrengen, maar kwam ook hand in hand met bezorgdheden over eerverlies, passiviteit en moreel verval. Die fundamentele ambiguïteit is wellicht het meest kenmerkende aspect van de antieke praktijk. Het heeft tot gevolg dat tot op heden pederastie onderwerp blijft van wetenschappelijke discussies.

 

 

Pedofilie

In de hedendaagse debatten is de scheidingslijn tussen pederastie, pedofilie en andere concepten die verwijzen naar seksuele betrekkingen tussen volwassenen en minderjarigen niet altijd even duidelijk. Pederastie en pedofilie worden regelmatig met elkaar vereenzelvigd. Zoals in het vorige hoofdstuk werd aangehaald, verwijst pederastie naar een sociaalhistorisch fenomeen uit de Grieks-Romeinse Oudheid. Pedofilie verwijst op zijn beurt naar een modern psychiatrisch concept dat pas vanaf het einde van de negentiende eeuw ingang vond. Omdat de casussen die in deze thesis centraal zullen staan grotendeels betrekking hebben op de hedendaagse discussies over pedofilie, is het noodzakelijk om duiding te geven bij het begrip ‘pedofilie’. Dit hoofdstuk zal zich eerst toespitsen op het ontstaan van het begrip ‘pedofilie’ en de historische ontwikkeling ervan. Daarna wordt onderzocht hoe pedofilie vandaag de dag gedefinieerd wordt en welke verschillende invullingen daarbij bestaan. Het hoofdstuk gaat verder met een analyse van de verwante begrippen, zoals hebefilie en efebofilie en van de manier waarop die zich verhouden ten opzichte van pedofilie. Vervolgens verschuift de aandacht naar het juridisch perspectief, waarbij wordt achterhaald hoe en waarom seksuele contacten met minderjarigen in de hedendaagse samenleving strafrechtelijk worden gereguleerd. Tot slot analyseert dit hoofdstuk de relatie tussen pedofilie en pederastie. Daarbij staat de vraag centraal of het überhaupt mogelijk is om beide begrippen te vergelijken en welke beperkingen aan een dergelijke vergelijking verbonden zijn.

 

 

De geschiedenis van het begrip pedofilie

Hoewel seksuele betrekkingen met kinderen vandaag de dag bestempeld worden als pedofilie, is dit een relatief jong concept, zeker met de zware connotatie die het vandaag de dag draagt. In tegenstelling tot pederastie, waarvan de oorsprong in de Oudheid te vinden is, ontstond het begrip pedofilie pas tegen het einde van de negentiende eeuw. Wij percipiëren het begrip als het resultaat van een lange historische ontwikkeling, waarbij niet alleen de wetenschappelijke invulling, maar ook de maatschappelijke visie sterk is veranderd. Ook bestaat er geen volledige consensus betreffende de leeftijdsgrens om van pedofilie te kunnen spreken. Sommige definities beperken de term ‘pedofilie’ enkel tot seksuele betrekkingen met prepuberale kinderen, andere omvatten ook (vroeg)puberale kinderen. Die scheidingslijn zal in het volgende onderdeel nog uitgebreid aan bod komen. Voor dit historisch overzicht is het belangrijk aan te merken dat de meeste debatten ook betrekking hebben op adolescenten. Indien het gaat over prepuberale kinderen, zal dit duidelijk aangehaald worden.

Vooraleer het begrip pedofilie ingang kende, werden seksuele betrekkingen van volwassenen met minderjarigen als tijdelijk en incidenteel beschouwd. Het algemeen idee was dat het geen seksuele voorkeur was en het geen psychiatrische categorie vormde. Hierin kwam verandering in 1886 door de publicatie van het werk Psychopthia Sexualis, geschreven door psychiater Richard von Krafft-Ebing. Hij introduceerde de term ‘pedofilie’. Hij categoriseerde het als perversie. Zijn onderzoek was symptomatisch voor de belangrijke verschuiving tijdens de eeuwwisseling, waarbij seksuele gedragingen en voorkeuren steeds vaker werden gemedicaliseerd. Von Krafft-Ebing probeerde vooral een antwoord op de vraag te geven: waarom stellen sommige mensen pedofiele handelingen? Hij maakte daarbij een onderscheid tussen psychopathologische en niet-psychopathologische pedofielen. Bij de eerste groep beschouwde hij de ‘seksuele afwijking’ als aangeboren en blijvend. De tweede groep handelde volgens hem eerder uit factoren zoals opportunisme of impotentie, welke hij niet classificeerde onder een seksuele perversie. Daarnaast maakte hij een distinctie tussen seksuele voorkeur en seksueel gedrag. Daarvoor gebruikte hij de begrippen Perversion en Perversität. Perversion verwees naar een afwijkende seksuele voorkeur. Perversität had op zijn beurt betrekking op het bewust stellen van immoreel gedrag.

Een volgende belangrijke mijlpaal in het publieke debat omtrent pedofilie was de publicatie van de eerste editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) in 1952. In die eerste editie werd pedofilie opgenomen als een vorm van antisociale persoonlijkheidsstoornis. Belangrijk om hier aan te geven is dat de DSM pedofilie vanaf het begin omschreef als een seksuele voorkeur voor prepuberale kinderen.Ondanks die spraakmakende medische classificatie bleef pedofilie tot het einde van de jaren ’70 een relatief beperkt aandachtspunt. Dat hing samen met de bredere visie op het kind en zijn of haar seksualiteit. Kinderen werden verondersteld seksuele behoeftes te hebben en verleidelijke gedragingen te stellen. Seksuele betrekkingen tussen volwassenen en minderjarigen werden niet in het kader van slachtofferschap of machtsongelijkheid begrepen.

Vanaf het einde van de jaren ’70 en het begin van de jaren ’80 veranderde dat perspectief sterk. In die periode groeide de aandacht voor kindermisbruik door toedoen van de tweede feministische golf, de toenemende homo-emancipatie en een groeiende bewustwording van kindermisbruik door mannelijke familieleden en andere mannen die zich in de sociale kring van het kind bevond. Ook het beeld van ‘het kind’ veranderde. Kinderen werden vanaf nu gepercipieerd als onschuldig. Tegelijk ontstonden er ook steungroepen en organisaties voor pedofielen, waardoor het begrip ‘pedofiel’ een identiteitscategorie werd, vergelijkbaar met de manier waarop het begrip ‘homoseksueel’ zich had ontwikkeld rond de eeuwwisseling. Aangezien mannelijke boy-lovers het meest zichtbaar waren, ontstond er een sterke associatie tussen homoseksualiteit en pedofilie. De sterke homofobie die in deze periode leefde, trok zich dus ook door naar pedofilie. Er heerste een maatschappelijke angst dat de emancipatie van homoseksuelen ook zou worden doorgetrokken naar pedofielen. Vanaf deze periode kreeg het begrip pedofilie geleidelijk zijn huidige, sterk negatieve connotatie. Het werd vereenzelvigd met seksueel kindermisbruik. In België werd deze connotatie versterkt door de zaak-Dutroux (1995-1996), die ertoe bijdroeg dat pedofilie vrijwel volledig werd gekoppeld aan het misbruik van kinderen. Pedofilie groeide uit tot een sterk beladen concept, iets wat nog steeds heerst in de huidige perceptie.

 

Wat is pedofilie?

Pedofilie is ontstaan als een psychiatrisch begrip. Zoals eerder aangehaald bestaat er geen volledige consensus over de afbakening van het begrip. Er zijn aanhoudende discussies betreffende de leeftijdsgrens van het kind. Ook de vraag blijft spelen of het te classificeren valt als een psychopathologische stoornis of een seksuele voorkeur. Verder is er ook debat over de juiste voorwaarden om al dan niet te spreken over pedofilie. Het begrip wordt in verschillende discours anders ingevuld. Juridische discours hanteren vaak de grens van seksuele meerderjarigheid, terwijl psychiatrische classificaties vertrekken vanuit de fysieke kenmerken van het kind. Voor de casussen die in dit onderzoek besproken zullen worden, is het van belang de leeftijdsgrenzen in België, Nederland en Amerika aan te geven. In België en Nederland bedraagt die vandaag zestien jaar. In Amerika verschilt dat per staat: negenentwintig staten hanteren de leeftijdsgrens van zestien jaar, zeven staten de grens van zeventien en achttien staten de grens van achttien jaar.

De meest gangbare definitie van pedofilie is vastgelegd in de Amerikaanse Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). De eerste editie verscheen in 1952. Momenteel hanteren we de vijfde editie. In de opeenvolgende edities heeft pedofilie onder verschillende categorieën geleefd. De twee eerste edities spraken van een seksuele deviatie. De eerste editie omschreef het als een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De tweede editie bracht het onder bij persoonlijkheidsstoornissen en niet-psychotische mentale stoornissen. Vanaf de derde editie maakte de DSM een belangrijke verschuiving van seksuele deviatie naar parafilie. Een parafilie wordt gedefinieerd als ‘een intense, recurrente, dwingende seksuele opwinding in fantasie en/of gedrag voor ongebruikelijke seksuele stimuli’. Het is hier dat voor de eerste keer bijzondere criteria worden gegeven om te spreken van pedofilie, namelijk seksuele daden stellen met of fantaseren over seksuele activiteiten met prepuberale kinderen. Die omschrijving bleef grotendeels behouden in de vierde editie. De vijfde editie (2013), die nog steeds gehanteerd wordt, maakt een onderscheid tussen parafilie en een parafiele stoornis. ‘Een parafiele stoornis is niet enkel de voorkeur of activiteit, maar ook het feit dat er ofwel bij de patiënt, of zijn partner/slachtoffer lijdensdruk aanwezig is’. Ook pedofilie werd geclassificeerd als parafiele stoornis. De DSM stelt drie criteria om te kunnen spreken over pedofilie: de persoon in kwestie moet minstens zes maanden terugkomende intense fantasieën hebben over prepuberale kinderen; de persoon moet gehandeld hebben naar die impulsen; de persoon in kwestie is minstens zestien jaar oud zijn en vijf jaar ouder dan het kind.

In de loop der jaren is er veel kritiek geuit op het DSM-model en bijgevolg op de afbakening van pedofilie. Voor dit onderzoek is vooral het betoog van de Amerikaans-Canadese seksuoloog Ray Blanchard relevant. Tijdens de voorbereidingen van het vijfde model stelde hij dat de grens van prepuberale kinderen te eng was. De DSM gebruikt de zogenaamde Tanner-stadia om te bepalen of een kind prepuberaal is of niet. De consensus was dat enkel seksuele activiteiten met kinderen tot en met Tanner-stadium I (prepuberale kenmerken) onder pedofilie vallen. Blanchard kaartte aan dat er veel mensen zijn die zich aangetrokken voelen tot niet volledig volwassenen, maar die niet geclassificeerd kunnen worden als pedofielen. Daarom stelde hij voor naast een pedofiele stoornis ook te spreken van een pedohebefiele stoornis. Dat houdt in: een seksuele voorkeur voor kinderen tot veertien jaar en jonger. Ook kinderen die zich in Tanner-stadia II en III (vroegpuberale kenmerken) bevinden, zouden hieronder vallen. Hij stelde dus drie subcategorieën voor: een pedofiele voorkeur (jonger dan elf jaar, Tanner-stadium I), een hebefiele voorkeur (tot veertien jaar, Tanner-stadia II en III) en een pedohebefiele voorkeur, waar beide leeftijdscategorieën in vervat zijn. Dat voorstel werd in 2012 afgekeurd wegens onvoldoende wetenschappelijke consensus en een gebrek aan conceptuele duidelijkheid.

 

Alternatieven voor pedofilie en het DSM-model

De precieze afbakening van pedofilie blijft een conceptueel en maatschappelijk debat uitlokken. In de medische en psychiatrische literatuur worden andere begrippen aangereikt die betrekking hebben op leeftijd en lichamelijke ontwikkeling van de betrokken kinderen. In het betoog van Blanchard is hebefilie al ter sprake gekomen. Hebefilie is een seksuele voorkeur voor vroegpuberale kinderen, meestal tussen de elf en veertien jaar, die zich dus in Tanner-stadia II en III bevinden. Hij was niet de eerste die de term hanteerde, de Amerikaanse criminoloog Sheldon Glueck introduceerde die immers in 1955, maar die raakte nooit echt wijdverspreid. Blanchard en collega’s geven daarvoor drie mogelijke verklaringen. Ten eerste werd het begrip vaak verward met pedofilie en efebofilie. Ten tweede bleek er weinig aandacht te zijn voor een aparte categorie voor (vroeg)puberale kinderen. Ten slotte bestond er een algemene voorzichtigheid aangaande de terminologie voor leeftijdsgebonden seksuele voorkeuren.

Het voorstel van Blanchard stuitte op aanzienlijke kritiek van onder meer de Amerikaanse psychologe Karen Franklin en de Amerikaanse psychiater Allen Frances vatten hun kritiek samen. Franklin stelde zich vragen bij het pathologiseren van hebefilie en waarschuwde voor een onterechte medicalisering van seksuele voorkeuren. Frances was medevoorzitter van de DSM IV Task Force. Zijn grootste bezorgdheid betrof het gebruik van hebefilie als diagnose in rechtszaken. In sommige staten van de VS bestaat er een wet rond Sexually Violent Predators (SVP). Zij blijven na het uitzitten van hun gevangenisstraf gedwongen in een psychiatrische instelling indien zij lijden aan een erkende mentale stoornis. Volgens Frances werd de onduidelijke afbakening van parafiele stoornissen te breed geïnterpreteerd, waardoor hebefilie werd gebruikt om personen langdurig vast te houden, ondanks het ontbreken van een erkende psychische stoornis. Zowel Franklin als Frances stelden dat hebefilie geen parafilie is.

Een andere verwante term is efebofilie. Dat is een seksuele voorkeur voor laatpuberale kinderen, tussen de vijftien en zeventien jaar, die zich in het Tanner-stadium IV bevinden. De belangrijkste inzichten hierover kwamen van de Canadese psycholoog en seksuoloog Michael Seto. Hij benadrukte dat er een belangrijk onderscheid is tussen het juridische en psychiatrische kader. Seksuele activiteiten met minderjarigen zijn in veel rechtsstelsels strafbaar, maar dat wil volgens hem niet zeggen dat er sprake is van een psychiatrische stoornis. Hij maakte ook een onderscheid tussen seksuele voorkeur en seksueel gedrag. Een seksuele betrekking met een puberaal kind wijst niet altijd op een langdurige voorkeur voor die leeftijdscategorie. Efebofilie is geen onderdeel van pedofilie geworden in de DSM. Evenmin vormt efebofilie een aparte categorie.

Ten slotte verdient ook een alternatief voor de DSM aandacht, namelijk de International Classification of Diseases (ICD), opgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De huidige editie, de ICD-11, trad in werking in 2022. Hoewel de DSM en ICD grotendeels gelijklopen, is er toch een belangrijk verschil betreffende de diagnostische benadering aan te merken. De DSM is namelijk intrapersoonlijk, de ICD interpersoonlijk. De DSM bendart de feiten vanuit de dader, de ICD kent ook bijzondere aandacht toe aan het slachtoffer. Of het slachtoffer al dan niet toestemming kan geven tot seksuele praktijken neemt een belangrijke plaats in. Net als in de DSM valt in de ICD pedofilie onder een parafiele stoornis. Een pedofiele stoornis staat aangegeven als een aanhoudende seksuele voorkeur voor prepuberale kinderen. Om de diagnose te stellen moet de persoon hebben geageerd op zijn fantasieën of er aanzienlijk onder lijden. Wat de leeftijdsgrens betreft, bestaat er dus een consensus tussen de DSM en de ICD. Opvallend is echter dat de ICD-10 uit 2019 een ruimere definitie hanteerde. Ook vroegpuberale kinderen werden onder de noemer van pedofilie geplaatst.Die wijziging in het elfde model weerspiegelt de behoefte aan een scherpere afbakening van het begrip. Tegelijkertijd hanteert het WHO binnen het kader van seksueel misbruik van kinderen de leeftijdsgrens van achttien jaar. Daarmee blijkt opnieuw dat psychiatrische classificaties en juridische definities verschillende doeleinden dienen.

 

Pedofilie en seksueel misbruik van kinderen in juridisch perspectief

Naast het psychiatrische en maatschappelijke kader rond pedofilie te bekijken, is het belangrijk ook stil te staan bij het juridisch perspectief. De begrippen pedofilie, intergenerationele relaties en seksueel misbruik van kinderen worden vaak samen uitgesproken. Er is echter weldegelijk een onderscheid. Het is daarbij relevant om het wettelijk kader te bekijken, omdat antieke pederastie seksuele praktijken omvatte tussen een volwassen man en een jonge knaap. Als we vanuit ons hedendaags perspectief de pederastische praktijk bekijken, stellen we ons automatisch vragen over toestemming, handelingsbekwaamheid, machtsongelijkheid en leeftijdsgrenzen. Een toelichting over het huidige juridische kader wil voorkomen dat begrippen zoals pedofilie en seksueel misbruik van kinderen zomaar op de antieke knapenliefde worden toegepast.

Wanneer we het juridisch perspectief nader bekijken, moeten we eerst twee onderscheiden belichten, namelijk het onderscheid tussen diagnose en delict en vervolgens het verschil tussen enerzijds het begrip ‘pedofilie’ en anderzijds ‘seksueel misbruik van kinderen’. Pedofilie staat voor een seksuele voorkeur, maar is geen categorie binnen het juridisch rechtssysteem. Het omgekeerde hoeft evenmin waar te zijn. Niet iedereen die schuldig is bevonden aan seksueel misbruik van kinderen, valt onder de classificatie van ‘pedofiel’. Wanneer een persoon met een pedofilie voorkeur overgaat naar een seksuele handeling met een kind, verschuift de vraag van psychiatrische classificatie naar een juridische beoordeling.

Het tweede en belangrijkste verschil ligt tussen pedofilie en seksueel misbruik van kinderen. Zoals eerder uiteengezet heeft pedofilie bijna uitsluitend betrekking op een seksuele voorkeur voor prepuberale kinderen. Wanneer we echter de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie in het vorige deel raadpleegden, viel het op dat een kind, binnen het kader van seksueel misbruik, wordt gedefinieerd als iedere persoon onder de leeftijdsgrens van achttien jaar. Dat wil niet zeggen dat die grens gelijkstaat aan de seksuele meerderjarigheid of dat iedere seksuele handeling met een minderjarige universeel strafbaar is. In de definitie van het WHO spelen factoren zoals toestemming, de wetgeving per land en relaties van vertrouwen of macht een rol.

De juridische omgang met seksueel misbruik van kinderen verschilt per land. Het is vanzelfsprekend om eerst de Belgische casus te duiden. Aangezien de latere casestudies betrekking hebben op Amerikaanse en Nederlandse voorbeelden, zal het juridisch kader van die twee landen eveneens kort uiteengezet worden. In België dateert de laatste hervorming binnen het seksueel strafrecht uit 2022. Hierin heeft toestemming een belangrijkere rol gekregen. De seksuele meerderjarigheidsgrens ligt in beginsel op zestien jaar. In principe acht het justitie personen onder deze leeftijdsgrens niet in staat toestemming te geven. Een minderjarige tussen veertien en zestien jaar kan rechtsgeldig toestemming geven, zolang het leeftijdsverschil tussen beide partners maximum drie jaar bedraagt. Seksueel misbruik van minderjarigen wordt zwaarder bestraft dan van meerderjarigen.

Als tweede volgt de casus van Nederland. Het huidig wettelijk kader rond seksuele misdrijven trad in werking in 2024, waarbij hoofdzakelijk aan aanranding en verkrachting van kinderen een zwaardere straf werd toegewezen. Ook in dit rechtsstelsel wordt de nadruk gelegd op vrijwilligheid, toestemming en de bescherming van kinderen. Nederland hanteert eveneens de seksuele meerderjarigheidsgrens van zestien jaar. Tot slot is er de Amerikaanse casus. Hier kan niet gesproken worden over een uniforme nationale seksuele meerderjarigheidsgrens. Eerder is vermeld geweest dat die grens verschilt per staat.

 

Een vergelijking met pederastie

Pederastie en pedofilie worden zowel in het publieke als in het wetenschappelijke debat regelmatig met elkaar vereenzelvigd. Na de bespreking van beide begrippen wil dit onderdeel duidelijk maken waarom een gelijkstelling van beide begrippen problematisch kan zijn. Daarbij wordt nagegaan in welke mate pederastie binnen het moderne conceptuele kader van pedofilie valt en waar de fundamentele verschillen liggen. Die vergelijking is van belang omdat de casussen die in het volgende hoofdstuk zullen worden voorgesteld vertrekken vanuit de veronderstelling dat beide begrippen vaak samenvallen. De centrale gedachte die hierbij moet worden vastgehouden, is dat zowel de invulling van de term ‘pedofilie’ als de juridische en maatschappelijke beoordeling ervan plaats- en tijdgebonden zijn.

De belangrijkste reden waarom pedofilie moeilijk vereenzelvigd kan worden met pederastie betreft de psychiatrische leeftijdsgrens. De meeste psychiatrische modellen, zoals de DSM en de ICD, definiëren pedofilie als een seksuele voorkeur voor prepuberale kinderen. De normatieve antieke opvatting van pederastie betrof daarentegen puberale adolescenten. Seksuele activiteiten met kinderen werden niet aanvaard, maar beschouwd als een aanval op de onschuld van het kind. Inzake leeftijdscategorieën sluiten de begrippen hebefilie en efebofilie dichter aan bij pederastie. Zij slaan echter op verschillende leeftijden en worden niet erkend als psychiatrische stoornis. Vanuit juridisch standpunt legt het WHO de leeftijdsgrens op achttien jaar. Volgens die bepaling zou pederastie vandaag onder seksueel misbruik van kinderen vallen, zij het niet als een erkende pedofiele stoornis. Bovendien is de vraag in hoeverre hedendaagse psychiatrische begrippen retrospectief op de Oudheid kunnen worden toegepast. De gemiddelde leeftijd waarop de puberteit heden ten dagen begint, is vermoedelijk lager geworden door verandering in voeding en leefomstandigheden.Daarnaast definieerden de Grieken en de Romeinen kinderen niet op basis van hun leeftijd, de precieze leeftijd was immers vaak niet gekend. Hun levensfases werden voornamelijk in verband gebracht met hun uiterlijke lichamelijke kenmerken en hun maatschappelijke rol. Dat maakt een rechtstreekse vergelijking tussen pederastie en pedofilie methodologisch nog moeilijker.

Een tweede verschil betreft de aard van de seksuele voorkeur. Pedofilie kan betrekking hebben op zowel jongens en meisjes als mannen en vrouwen. Pederastie had uitsluitend betrekking op een volwassen man en een jongen. In het algemeen zijn er vandaag de dag meer mannen dan vrouwen die een pedofiele stoornis vertonen. Een van de mogelijke verklaringen hiervoor is het maatschappelijke verschil tussen mannen en vrouwen. Vrouwen leren hun seksualiteit meer ingetogen te beleven dan mannen. De maatschappelijke verklaring zou ook voorzichtig kunnen worden toegepast op antieke knapenliefde. We weten dat vrouwen in de Oudheid op zeer jonge leeftijd (tussen de elf en veertien jaar) werden uitgehuwelijkt. Dat kwam uit een maatschappelijke angst voor de seksuele losbandigheid van een vrouw. Vrouwen werden daarom aangeleerd zeer bescheiden en behoedzaam om te gaan met hun seksualiteit. Mannen genoten daarentegen een grotere seksuele vrijheid. De exclusief mannelijke invulling van pederastie weerspiegelt de antieke genderverhoudingen. In dat kader blijkt het duidelijk dat het voor mannen genormaliseerd was een ‘eromenos’ te hebben.

Ook de duur van de seksuele voorkeur verschillen fundamenteel. Hoewel de DSM als criterium stelt dat pedofielen minstens zes maanden intense fantasieën moeten hebben, hebben zij meestal een stabiele voorkeur, die doorgaans heel hun leven dezelfde blijft. Pederastie is daarentegen gebonden aan een specifieke levensfasen en sociale rollen. Voor de ‘eromenos’ was de pederastische relatie tijdelijk van aard. Hij kon enkel deze rol innemen tijdens zijn adolescentie. Zoals eerder beargumenteerd, is het mogelijk dat hij enerzijds later zelf ‘erastes’ wordt, of anderzijds geen seksuele betrekkingen meer zal hebben met jonge mannelijke partners. Voor de ‘erastes’ lag dit anders. Zijn seksuele interesse in ‘eromenoi’ was niet noodzakelijk gebonden aan een bepaalde fase van zijn volwassen leven. Hij kon daarbij relaties aangaan met verschillende knapen. De vergelijking met pedofilie kan niet enkel gemaakt worden op basis van de tijdelijke rol van de ‘eromenos’, maar ook in de manier waarop de seksuele voorkeur werd ingevuld. Bij pederastie spreken we van een cultureel en tijdsgebonden ingebedde praktijk, terwijl pedofilie een blijvende seksuele voorkeur inhoudt.

Een bijkomend verschil ligt in het onderliggende kindbeeld. Het moderne kindbeeld gaat uit van kinderen als seksueel kwetsbare personen, die nog niet in staat zijn om rechtsgeldige seksuele toestemming te geven. De bescherming van minderjarigen vormt een centraal uitgangspunt in het strafrecht en de internationale kinderrechten. Pedofilie en seksueel misbruik van kinderen worden ook bekeken vanuit een standpunt van machtsongelijkheid. De bescherming van het kind staat hierbij centraal. In de Oudheid vormde zich een ander beeld van adolescentie dan nu. Adolescenten werden bekeken als toekomstige burgers die geleidelijk klaargestoomd werden voor een rol binnen de polis. De nadruk lag veel minder op kwetsbaarheid en bescherming. Het was juist het moment voor jonge knapen om te tonen dat ze fysiek en mentaal sterk waren om hun militaire dienst te vervullen. Ook binnen de context van pederastie was er geen sprake van slachtofferschap. Hierbij dient opgemerkt te worden dat bijna alle bronnen geschreven zijn vanuit het perspectief van mannelijke ‘erastai’, filosofen, wetgevers en opvoedkundigen. De stem van de adolescent ontbreekt bijna volledig. Daardoor blijft het onmogelijk met zekerheid vast te stellen hoe adolescenten de relatie zelf ervoeren.

Een van de auteurs die de problematiek expliciet aan de orde heeft gesteld, is Enid Bloch. In haar controversieel en kritisch artikel ‘Sex between Men and Boys in Classical Greece: Was It Education for Citizenship or Child Abuse?’, pleit zij ervoor om pederastie te bekijken als seksueel misbruik. Een belangrijk argument in haar betoog betreft de fundamentele machtsasymmetrie tussen de ‘erastes’ en de ‘eromenos’. Er was volgens haar een zeer duidelijke grens tussen de actieve, volwassen partner en de passieve adolescent. De terminologie, ‘hij die liefheeft’ en ‘hij die wordt liefgehad’, weerspiegelt die asymmetrie. Ook heeft ze oog voor de schaamte aan die een ‘eromenos’ op zich kon halen door deel te nemen aan de pederastische praktijk en zich op te stellen als passieve partner, zeker als het anale penetratie betrof. Haar andere argumenten worden controversiëler. Zo stelt ze dat pederastische relaties onvermijdelijk psychologisch trauma’s veroorzaken, dat de gevolgen tijdloos zijn en dus ook bestonden in de Oudheid. Ten slotte stelt ze dat psychologische gevolgen van seksueel misbruik waarschijnlijk tijdloos zijn en die schade dus ook in de Oudheid heeft moeten bestaan. Hoewel die benadering terechte vragen oproept, kent zij ook beperkingen. Bloch onderbouwt haar betoog over trauma slechts in beperkte mate. Daarbij past ze hedendaagse inzichten over seksueel misbruik van kinderen rechtstreeks toe op de antieke context. Tegelijkertijd wijst ze op een fundamenteel probleem binnen de antieke bronnen: het feit dat de stem van de ‘eromenos’ nergens te horen is. Het is denkbaar dat sommigen pederastische relaties als een genormaliseerde praktijk beschouwden, inclusief de seksuele activiteiten, maar dergelijke uitspraken blijven speculatief.

Hoewel pederastie en pedofilie op het eerste gezicht gelijkaardige kenmerken vertonen, namelijk seksuele betrekkingen tussen volwassenen en minderjarigen, blijken de concepten dus fundamenteel verschillend. Pedofilie is een modern psychiatrisch begrip dat verwijst naar een persistente seksuele voorkeur voor kinderen, meestal prepuberale. Pederastie was op zijn beurt een sociaal-cultureel ingebedde praktijk, die betrekking had op adolescenten. Een rechtstreekse vereenzelviging van beide begrippen doet daarom onrecht aan zowel de historische context van de Oudheid als aan de hedendaagse psychiatrische en juridische definities.

 

 

Casestudies

Professor Thomas K. Hubbard en zijn artikel ‘Sexual Consent and the Adolescent Male, or What Can We Learn from the Greeks?’

1. Introductie Hubbard en de centrale these van het artikel

De eerste casestudy behandelt de Amerikaanse classicus Thomas K. Hubbard. Binnen de hedendaagse visie op het historisch concept van antieke pederastie vormt hij een interessant voorbeeld. Hubbard beperkte zich niet enkel tot wetenschappelijk onderzoek naar de Griekse pederastie, maar vertrok uit het historisch concept om het hedendaags debat over seksuele toestemming en meerderjarigheid te herbekijken. Hij dient als geschikt voorbeeld om aan te tonen hoe een historisch begrip normatief kan worden ingezet in actuele maatschappelijke discussies.

Centraal in deze casestudy staat zijn artikel ‘Sexual Consent and the Adolescent Male, or What Can We Learn from the Greeks?’. Met dat artikel mengt Hubbard zich in het controversiële debat over seksuele meerderjarigheid. Hij stelt de huidige leeftijdsgrens in vraag, in het bijzonder die van de jongens. Aan de hand van het Atheens model werpt hij het idee op dat het te overwegen zou moeten zijn die grens te verlagen. Zijn standpunt leidt tot felle kritiek. Hij wordt door collega’s en studenten ervan beschuldigd pedofilie te normaliseren of zelfs promoten. Hij verdedigt echter zijn standpunt door te stellen dat het maatschappelijk debat over toestemming nood heeft aan een open wetenschappelijke benadering, waarbij historische voorbeelden een bijdrage kunnen leveren. De controverse blijft niet beperkt tot dit artikel. Ook in latere publicaties blijft hij pleiten voor een open houding ten opzichte van kwesties van intergenerationele seksualiteit. In zijn boek ‘Censoring Sex Research: The Debate Over Male Intergenerational Relations’ wijst hij onder meer op de complexiteit van kinderseksualiteit en de zeer grote juridische en sociale gevolgen die het label ‘pedofiel’ met zich kan meebrengen. Zijn standpunten blijven aanleiding geven tot controverses, zowel binnen als buiten de academische wereld. Uiteindelijk koos hij ervoor in 2021 zijn carrière aan de University of Texas vroegtijdig stop te zetten.

Centraal in deze casestudy staat de vraag hoe academische discours, zoals die van Hubbard, de antieke knapenliefde inzet binnen hedendaagse debatten omtrent pederastie, pedofilie en seksuele toestemming. Hij maakt een normatieve brug tussen de Oudheid en vandaag, een brug waarvoor historici bijzonder waakzaam zijn, zeker wanneer het gaat over gevoelige onderwerpen zoals pederastie en pedofilie. Deze casus doet precies wat deze masterproef beoogt te bereiken. In de inleidende hoofdstukken werd er een theoretisch kader geboden waarmee nu, aan de hand van Hubbard, aan de slag kan worden gegaan. Er zal onderzocht worden in hoeverre het mogelijk is beroep te doen op de Oudheid als legitimatie voor hedendaagse standpunten in historische, psychologische en juridische debatten.

Om een kritische analyse van het artikel te kunnen maken, is het noodzakelijk eerst de centrale these in Hubbards artikel uiteen te zetten. Hubbard beweert dat het Atheens model een nuttig uitgangspunt kan zijn om het hedendaags beleid inzake de seksualiteit van adolescenten kritisch te herbekijken. Hij kiest bewust het Atheens model, omdat hij de polis als zeer succesvol beschouwt en als de bakermat van de westerse beschaving. Zijn betoog berust in hoofdzaak op twee historische argumenten. Ten eerste stelt hij dat de ‘eromenos’ over de mogelijkheid beschikte om toestemming te geven. Ten tweede betoogt hij dat een pederastische relatie positief ervaren werd door de knaap. Het bood een bijdrage aan de opvoeding en de ontwikkeling van de adolescent.

Op basis van die historische argumenten maakt Hubbard de normatieve brug naar het hedendaags beleid aangaande intergenerationele relaties. Hij stelt zich de vraag of we in het bijzonder homoseksuele en biseksuele jongens niet benadelen in het huidig beleid. Volgens hem is de seksuele meerderjarigheid geen goed wetenschappelijk onderbouwde grens, maar berust die eerder op historisch toeval. Daarbij verwijst hij naar de politieke situaties die geleid hebben tot de huidige leeftijdsgrens. Het debat werd voornamelijk gedreven door de tweede feministische golf, die pleitte voor een genderneutrale taal, en door de beeldvorming rond de ‘gevaarlijke pedofiel’ vanaf de jaren ’80. Hubbard stelt dat hierdoor een uniforme leeftijdsgrens is ingeroepen, zonder aandacht voor de mogelijke verschillen tussen de sekses.

 

2. Een kritische analyse

De kritische analyse zal zich toespitsen op vier verschillende thema’s. Allereerst wordt bekeken waarom Hubbard voor het Atheense model heeft gekozen. Ten tweede wordt zijn argument bekeken dat een ‘eromenos’ toestemming kon geven. Ten derde wordt gekeken naar de psychologische gevolgen van een pederastische relatie. Ten slotte wordt de normatieve brug onderzocht die Hubbard maakt. Impliceert het voorbeeld van Athene dat de huidige seksuele meerderjarigheid voor jongens verlaagd moet worden? Heeft dat als gevolg dat intergenerationele seks als positief kan worden beschouwd? Het is niet de bedoeling om te stellen dat Hubbard juist of fout is. De bedoeling is aan te geven welke historische argumenten er worden gegeven, hoe zij worden ingezet en te doorgronden of het mogelijk is om een historisch fenomeen te hanteren bij hedendaagse kwesties en welke gevaren dergelijke vergelijking inhoudt. Verder wil deze analyse aankaarten waar historici zoals Hubbard de grenzen van objectief wetenschappelijk onderzoek kunnen doen verschuiven door selectief materiaal aan te halen om een bepaald standpunt in de hand te werken.

Hubbard spreekt specifiek over het Atheense model als een positief vergelijkingsmodel om het huidige beleid aan te toetsen. Hij geeft twee redenen. Als eerste geeft hij aan dat dit het historische model bij uitstek was waar het meeste bronmateriaal over bestaat. Dat heeft deze thesis ook in het theoretische hoofdstuk bevestigd. Wat echter niet uit het oog mag worden verloren, is dat het bronmateriaal talrijk is, maar niet vanuit het standpunt van de adolescent is geschreven. Zijn visie is (bijna) nergens terug te vinden. Ten tweede benoemt Hubbard Athene als een zeer geslaagde samenleving die de oorsprong van de westerse democratie vormt. Die twee argumenten zijn aanvaardbaar. Toch rijst de vraag: waarom enkel Athene? Waarom spreekt hij niet van de Griekse pederastie of de antieke pederastie? Is er een reden waarom het Atheense model zijn standpunt het beste staaft?

Als de invulling van pederastie in andere Griekse poleis wordt bekeken, blijkt inderdaad dat hier en daar andere nuances werden gelegd. Als eerste voorbeeld kan Sparta worden aangehaald. Het bronmateriaal hierover is schaars. Xenophon vertelt in dat het een kuise relatie betrof, een broederlijke of vaderlijke band. De lichamelijke schoonheid en aantrekking mochten niet meespelen en zelfbeheersing was het belangrijkste begrip. Xenophon benadrukt echter zelf dat hij begrijpt dat zijn lezers dat niet zouden geloven. Aangezien Hubbard een antiek model wil aanhalen om later te implementeren in het debat rond intergenerationele seks, is het dus niet voordelig om het model van Sparta aan te halen, aangezien er getwijfeld kan worden of er sprake was van een seksuele dimensie in de Spartaanse pederastie. Een ander voorbeeld van een polis die ook een andere invulling kende, was Thebe. In Thebe bestond zoiets als de ἱερὸς λόχος, een militair korps van 150 paren van geliefden. In Plutarchus is een uitvoerige beschrijving terug te vinden. Die benadrukt het militaire belang van deze relatie. Het zorgde er volgens hem voor dat ze dapperder vochten dan andere legers, aangezien ze aan de zijde van hun minnaar stonden. De focus wordt nergens op het fysieke of seksuele aspect gelegd, wat wederom niet voordelig is voor Hubbards latere moderne debat, waar die seksuele invulling noodzakelijk is. Hieruit kan worden geconcludeerd dat in Athene het seksuele aspect het minst omstreden en het meest bekend en besproken was.

Maar waarom dan niet het Romeinse voorbeeld aanhalen? Hier lijkt een andere reden mee te spelen. De Romeinse pederastie verschilde hoofdzakelijk van de Griekse op het vlak van de sociale status van de ‘eromenos’. In Griekenland betrof het vrije burgers, in Rome voornamelijk jongens met een lagere sociale status, zoals slaven en prostituees. Hubbard haalt zelf aan dat Athene een mooi voorbeeld vormt omdat het ‘geen gemakkelijk manipuleerbare slaven’ betrof. Dat argument is van belang voor twee zaken: ten eerste voor zijn betoog omtrent de vraag of de ‘eromenos’ al dan niet toestemming kon geven. Hierop wordt later teruggekomen. Ten tweede komt het seksuele aspect in Rome sterker naar voren, en misschien iets te sterk. Voor Hubbard is het van belang de positieve kanten van pederastische relaties te laten zien en aan te tonen dat een ‘eromenos’ veel voordelen haalde uit zo’n band. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Athene het mooiste voorbeeld vormt waar pederastie, naast het seksuele aspect, het sterkst andere voordelen naar voren schuift, zoals het opvoedkundige en de wederzijdse positieve band. Zijn keuze voor Athene als modelcasus is begrijpelijk, maar vernauwt tegelijk de representativiteit van zijn vergelijking. Het is onduidelijk in welke mate zijn conclusies ook zouden gelden als hij de andere antieke contexten mee in acht had genomen.

Een groot argument van Hubbard is dat de ‘eromenos’ over de mogelijkheid beschikte zijn minnaar te weigeren. Hij concludeert hieruit dat de adolescent dus in staat was toestemming te geven. Dat is een argument e selentio. De vraag is dus of hij kon weigeren. Hij geeft vier argumenten. Eerst en vooral was er de demografische kloof. Er waren veel minder aantrekkelijke jongens beschikbaar dan volwassen minnaars, gezien de algemene lage levensverwachting. De ‘eromenos’ had dus meer keuze in de bepaling wie zijn minnaar ging worden. Ten tweede werden ze beschermd door ouders of voogden die de minnaar ook moesten goedkeuren. Ten derde betoogt hij dat de Attische vaaskunst vaak scènes van afwijzing vertoont. Ten slotte zijn er de literaire voorbeelden, zoals Plato, Theognis en Lysias, die aankaarten dat als een ‘eromenos’ niet tevreden was over zijn minnaar, hij een andere minnaar kon toelaten. Het lijkt aannemelijk dat de adolescent in staat was een keuze te maken over wie zijn minnaar zou worden, maar Hubbard is minder voorzichtig in de volgende stap: van keuzevrijheid toestemming. Het is niet omdat de jongen zijn minnaar mocht kiezen, dat hij er ook voor mocht kiezen geen enkele minnaar te hebben.

De bronnen vermelden ook nergens dat de ‘eromenos’ mocht kiezen wat de relatie dan zou inhouden en dat hij een keuze had over de seksuele handelingen die erin zouden kunnen plaatsvinden. Het is niet omdat de adolescent over handelingsmacht beschikte, dat er geen machtsongelijkheid bleef ten voordele van de volwassen partner. Het probleem dat er geen bronnen zijn waarin adolescenten zelf aan het woord zijn, speelt ook hier weer mee. Het argument van toestemming berust meer op speculatie en het leggen van een eigen causaal verband dan op feitelijk historisch bewijs. Zelfs indien Hubbard inderdaad gelijk heeft en gesteld mag worden dat de ‘eromenos’ over de mogelijkheid beschikte om toestemming te geven, wil dat niet zeggen dat adolescenten vandaag over diezelfde mogelijkheid tot toestemming beschikken.

Hubbard pleit ook tegen de bevindingen van David Cohen, die in het hoofdstuk ‘moderne debatten omtrent pederastie’ al aan bod kwamen. Cohen stelde dat een aanklacht van ‘hubris’ mogelijk was. Hubbard betoogt dat Cohen hier geen daadkrachtig bewijs voor leverde. Cohen haalde Xenophon aan als voorbeeld. Xenophon stelde dat een pederastische relatie in Sparta enkel een band van ouderlijke of broederlijke liefde mocht inhouden en dat het beleid hierrond tussen de poleis verschilde. In Athene was het bijvoorbeeld inderdaad niet verboden, maar de terechte vraag die Cohen zich stelde, was of het niet verbieden noodzakelijk betekent dat het werd goedgekeurd.

Een ander belangrijk argument voor Hubbard is dat een pederastische relatie zeer gunstig was voor de adolescent en er geen sprake was van psychologische gevolgen. Hij kaart het probleem aan van de afwezigheid van de stem van de ‘eromenos’ in antieke bronnen, maar verwijst naar drie bronnen waarin die wel naar voren zou komen. Hij verwijst naar twee graffiti en een literaire bron. De literaire bron die hij vermeldt, namelijk Petronius, valt als problematisch te beschouwen. Het fragment kan nader onder de loep worden genomen. Het verhaal gaat als volgt. Encolpius had tijdens zijn verblijf een oogje gekregen op Giton, een jongeman. Encolpius ging ’s avonds naast de jongeling liggen en biechtte zijn gevoelens op. Hij beloofde de jongen geschenken als hij inging op zijn avances. Zo kreeg de jongen in ruil duiven en gevechtshanen. Wanneer de geschenken echter niet meer volgden, was Giton misnoegd en wilde hij niet langer seksuele betrekkingen hebben met Encolpius. Encolpius’ reactie was als volgt: ‘Nihil est tam arduum quod non improbitas extorqueat. Dum dicit: ‘patrem excitabo,’ irrepsi tamen et male repugnanti gaudium extorsi...’ (Nothing is so difficult that immodesty cannot extort it. While he was saying ‘I will wake up my father,’ I crept in, however, and extorted my pleasure in spite of his faint resistance.). Later gaat de knaap terug in op zijn avances. Het is opvallend dat Hubbard veel waarde hecht aan deze bron, die sterk ambigu van aard is.

Het fragment vertelt dat er geen sprake kon zijn van toestemming. Integendeel, hieruit blijkt zeer duidelijk dat de jongen niet over die macht beschikte, want wanneer hij aangaf het niet meer te willen, moest de jongen onder dwang seksuele betrekkingen hebben met Encolpius. Daarbij lijkt dit eerder op een transactionele relatie dan op het typische beeld van een pedagogische, liefkozende pederastische relatie. Er bestaat ook enige discussie over de vraag of Giton een slavenjongen was of niet, maar dat doet niets af aan het feit dat er nog steeds heel duidelijk wordt gemaakt dat de relatie onder dwang werd voortgezet. Het bronnenmateriaal waarin de adolescent aan het woord kwam, is dus schaars en ook problematisch.

Na Hubbards historische analyse maakt hij een gedachtenexperiment. Zijn centrale vraag is: ‘Is de huidige seksuele meerderjarigheid eigenlijk wel gunstig voor jongens, voornamelijk homoseksuele en biseksuele jongens, of benadeelt die hen juist?’ Zijn vraag is relevant omdat ze doet stilstaan bij het feit dat wat vroeger een gangbare praktijk was, vandaag de dag als illegaal kan worden beschouwd. De juridische beoordeling van intergenerationele seksuele relaties is vandaag afhankelijk van onder meer leeftijd en het geldende rechtsstelsel, maar dat kader is inderdaad cultuur-, tijd- en plaatsgebonden. Het is fout om te denken dat de hedendaagse normen universeel en tijdloos zijn en het is belangrijk om hier aandacht op te vestigen.

Maar is de huidige visie en het beleid daarom onjuist? Hubbard vestigde de aandacht op zijn mening dat de leeftijdsgrens arbitrair is vastgelegd, te midden van politieke compromissen zonder input van criminologen en sociale wetenschappers omtrent seksualiteit bij adolescenten. Er zou nergens gevraagd zijn naar het standpunt van adolescenten en daardoor worden adolescenten nu belemmerd om binnen een legaal kader een gunstige relatie aan te gaan met een oudere partner. Hoe schadelijk is nu zo’n intergenerationele seksuele relatie? Hubbard is niet de enige die deze commentaar bood. Een artikel dat in 1998 verscheen, A Meta-Analytic Examination of Assumed Properties of Child Sexual Abuse Using College Samples, boog zich ook over de vraag hoe schadelijk seksueel misbruik van kinderen is en of de gevolgen ervan in de literatuur te sterk werden veralgemeend. Dat bracht veel reactie met zich mee.

Om een artikel van Douglas Barnett te gebruiken, kan worden aangetoond waarom de huidige visie bepaalde intergenerationele seksuele handelingen als misbruik en schadelijk beschouwt. Er zijn door de Amerikaanse socioloog David Finkelhor twee voorwaarden vastgelegd om te spreken over toestemming. Ten eerste moet de persoon volledig begrijpen waarmee die instemt en ten tweede moet die over de volledige vrijheid beschikken om in te stemmen of af te wijzen. Volgens dit kader kunnen kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en ontwikkeling, niet steeds aan beide voorwaarden voldoen. Wat hier weer naar voren komt, is het veranderde kindbeeld. In de Oudheid werden kinderen, en vooral adolescenten, beschouwd als toekomstige burgers. De samenleving bereidde hen voor om het ideaalbeeld van een sterke man na te streven. De huidige visie beschouwt kinderen als een aparte categorie die nood heeft aan bijzondere bescherming. Daarom wordt hun beslissingskracht om in te stemmen met seksuele praktijken juridisch begrensd. Daarbij argumenteert het artikel dat schade en misbruik niet per se betekenen dat het kind de ervaring zelf als negatief ervaarde. Het kind kan door beïnvloeding aanleren dat zulk gedrag normaal en positief is en daardoor de mogelijke schade ervan niet inzien.

 

3. Een evaluatie van Hubbards benadering

Duidelijk is geworden waarom Hubbard specifiek Athene als ankerpunt gebruikt. Zowel de duidelijke seksuele invulling als de balans met de pedagogische kant van de relatie maken van Athene de beste casus om zijn betoog te ondersteunen. Hij maakt echter onvoldoende de nuance dat het bronmateriaal verre van volledig is. Daarbij is in de belangrijkste moderne debatten over pederastie al naar voren gekomen dat er ook binnen Athene een groot spectrum was tussen voor- en tegenstanders. Er waren ook al in de Oudheid vragen over de vraag of pederastie wel een ethische praktijk was, en zeker over de seksuele component. Hij kiest niet alleen doelbewust voor het Atheense voorbeeld, maar maakt ook binnen het Atheense model keuzes over wat hij naar voren brengt in zijn historische analyse.

Verder maakt hij zijn pleidooi vooral sterk door het argument te gebruiken dat de ‘eromenos’ wel degelijk in staat was zijn toestemming te geven. Daarbij stelt hij dat adolescenten dat vandaag de dag nog steeds kunnen, maar neemt hij niet in acht dat adolescentie vandaag een andere invulling kent dan in de Oudheid. Hij verklaart dat er bij het vastleggen van de seksuele meerderjarigheidsgrens geen rekening werd gehouden met de stem van de adolescent en het onderzoek naar diens seksualiteit. Dat lijkt echter een te sterke claim. Het is duidelijk dat er talrijke moderne studies zijn gebeurd naar de seksualiteit van kinderen en adolescenten. Er kan niet omheen worden gegaan dat het huidige psychologische en juridische kader beperkingen stelt aan de mogelijkheid van minderjarigen om toestemming te geven voor seksuele handelingen, waarbij leeftijd en omstandigheden een belangrijke rol spelen.

Hubbard heeft het voorbeeld van Athene uiteengezet, de kenmerken van het pederastische model aangekaart die zijn redenering bijstaven en die gebruikt om zijn betoog te voeren over een mogelijke verlaging van de seksuele meerderjarigheid voor jongens. Het moderne kader vertrekt echter vanuit een fundamenteel andere insteek, waarbij het kindbeeld is veranderd, de definitie van toestemming anders ligt en waarbij wordt uitgegaan van een machtsongelijkheid die kan bestaan tussen een minderjarige en een volwassene. Hubbard vergelijkt twee verschillende maatschappijen die uitgaan van een fundamenteel andere visie op intergenerationele seksuele relaties. Daardoor kan een historische constructie van de Atheense pederastie niet probleemloos gebruikt worden als argument voor het hedendaagse beleid. Historische constructies kunnen een normatieve functie gaan dragen om een bepaald argument binnen een debat in de hand te werken dat verder reikt dan wat de historische bronnen zelf toelaten. Dat is een grens die bewaakt moet worden. Daarmee zijn historische vergelijkingen niet noodzakelijk onmogelijk of onwetenschappelijk, maar het onderscheid tussen een historische analyse en een normatieve toepassing binnen hedendaagse debatten omtrent intergenerationele seksualiteit zou te allen tijde duidelijk moeten worden aangegeven.

 

Het activistische discours: NAMBLA en PAN-magazine

1. Een voorstelling van NAMBLA en PAN

Na het gebruik van de Oudheid te hebben bestudeerd binnen een academisch discours, verschuift de aandacht in deze casestudy naar het activistische discours. Waar professor Hubbard de Atheense pederastie inzette als ‘optimaal vergelijkingsmodel’ om de hedendaagspe opvattingen over toestemming en seksuele meerderjarigheid te herbekijken, krijgt de Oudheid binnen activistische media een andere functie. Dit hoofdstuk neemt twee voorbeelden samen: de Amerikaanse North American Man-Boy Love Association (NAMBLA) en het vanuit Nederland uitgegeven PAN: A Magazine About Boy-Love. Deze casestudy richt zich niet in de eerste plaats op de vraag of de Oudheid als mogelijk vergelijkingsmodel voor hedendaagse kwesties kan dienen, maar op de manier waarop antieke pederastie wordt ingezet in deze twee voorbeelden.

NAMBLA werd in 1978 opgericht in de Verenigde Staten. Het is een vereniging voor mannen met een seksuele voorkeur voor minderjarige jongens. Ze verwijzen naar zichzelf als boy-lovers en willen daarmee afstand nemen van het negatieve begrip ‘pedofiel’. Ze verzetten zich tegen de maatschappelijke en juridische veroordeling van ‘consensuele’ relaties tussen volwassen mannen en adolescenten. Het huidig juridisch kader focust volgens hen enkel op kindermisbruik en de leeftijdsgrens. Centraal in hun discours staan thema’s die bij Hubbard ook terug te vinden waren: toestemming, de seksuele meerderjarigheid, de veronderstelde schadelijkheid van een intergenerationele relatie en de machtsbekwaamheid van adolescenten. Die vraagstukken worden echter anders benaderd dan bij Hubbard. Dat tracht dit hoofdstuk aan te tonen. Een vergelijkbaar discours komt naar voren in PAN, een Engelstalig tijdschrift dat tussen 1979 en 1985 vanuit Nederland werd uitgegeven. Het blad presenteerde zich als een internationaal instrument waarmee informatie en discussies over pedofilie kon verspreid worden. Naast politieke en juridische bijdragen, bevatte het tijdschrift wetenschappelijke dissertaties, interviews, lezersbrieven, literatuur en fictie. Daarnaast beoogde PAN een medium te zijn waarbinnen boy- lovers een gemeenschapsgevoel konden ontwikkelen.

NAMBLA en PAN delen grotendeels dezelfde uitgangspunten. Beide beogen om de sterk negatieve, maatschappelijke visie op pedofilie aan te kaarten en proberen pedofilie voor te stellen als een seksuele voorkeur die niet verschilt van andere seksuele voorkeuren. Ze vestigen aandacht op de mogelijkheid dat er consensuele relaties tussen volwassen mannen en minderjarige jongens kunnen plaatsvinden en voordelen kunnen opleveren voor de adolescent. De jongen wordt weldegelijk in staat geacht toestemming te geven en een dergelijke relatie zou zonder schade kunnen bestaan. Sterker nog, NAMBLA stelt dat het ontnemen van de mogelijkheid van adolescenten om een relatie aan te gaan met een ouder man negatieve gevolgen met zich kan meebrengen. Binnen het hedendaags juridische kader is een man verplicht mogelijke seksuele avances van een minderjarige af te slaan. Een dergelijke afwijzing kan echter, volgens NAMBLA, zorgen voor levenslange, negatieve implicaties.

Vanuit die redenering keert NAMBLA zich resoluut tegen leeftijdsgrenzen die seksuele relaties tussen mannelijke meerder- en minderjarigen verhinderen. Volgens de organisatie zijn de leeftijdsgrenzen arbitrair vastgelegd en benadelen zij voornamelijk homoseksuele en biseksuele mannelijke adolescenten. Er wordt daarbij aangehaald dat er bij de totstandkoming van die wetgeving nergens wordt geluisterd naar de stem van adolescenten. De bescherming die het juridisch kader tracht te bieden, kan volgens NAMBLA een averechts effect hebben. Meer keuzevrijheid zou minderjarigen minder kwetsbaar maken.

NAMBLA en PAN presenteren zich beiden als een medium voor boy-lovers, die zij voorstellen als een onderdrukte groep die ten prooi is gevallen aan de negatieve stigmatisering van pedofilie. Ze voeren actief strijd om hierin verandering te brengen. De sterke maatschappelijke afwijzing van intergenerationele relaties wordt binnen hun discours niet als vanzelfsprekend beschouwd, maar als gevolg van historische ontwikkelingen. Ze wijzen op de invloed van het christendom en, voornamelijk in de twintigste eeuw, op maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, zoals het feminisme en het veranderde kindbeeld. Vanuit die redenering hanteren zij ook de Oudheid. Antieke pederastie wordt aangehaald om aan te tonen dat de praktijk als gangbaar kon functioneren. Op basis daarvan stellen zij het vermeende universele beeld van de negatieve beoordeling van intergenerationele relaties in vraag.

 

2. De functie van de Oudheid binnen het activistisch discours en een kritische analyse

Antieke pederastie wordt binnen NAMBLA en PAN op drie verschillende niveaus ingezet. Allereerst halen ze aan dat intergenerationele relaties van alle tijden zouden zijn. NABMLA plaatste een toespraak van politiek activist David Thorstad op hun website waarin dat idee vervat zit. Volgens hem is pederastie een historische consistente praktijk en zou die daarom niet onderdrukt mogen worden. Dat seksuele betrekkingen tussen meerder- en minderjarigen vandaag strafbaar zijn, beschouwt hij als een schande. De Oudheid krijgt een plaats binnen zijn redenering. Thorstad verbindt pederastische relaties met het hoogtepunt van de westerse cultuur. Hij gebruikt de Oudheid als legitimiteit voor huidige intergenerationele relaties. Hij verleent de praktijk ook cultureel prestige door het te verbinden met de bakermat van de westerse samenleving.

Dezelfde idee komt naar voren in het artikel van feministische auteur Camille Paglia dat door NAMBLA werd gepubliceerd. Zij verzet zich tegen de maatschappelijke veroordeling van pederastische relaties. Ze stelt in vraag hoe de praktijk, die rationeel en eerbaar was bij de Grieken, vandaag zo sterk kan worden afgewezen. Belangrijk binnen dit discours is dat pederastie bovendien als transcultureel fenomeen wordt voorgesteld. Zo besteedt PAN aandacht aan het Islamitische werk ‘The Arabian Nights’, dat ook dergelijke relaties beschrijft.De Oudheid dient slechts als een enkel voorbeeld van een bredere historische verzameling aan voorbeelden die NAMBLA en PAN aanhalen om aan te tonen dat seksuele interesse tussen volwassen mannen en adolescenten een continuïteit is.

Dat pederastie in verschillende historische perioden en culturen voorkwam en in bepaalde contexten zelfs geïnstitutionaliseerd was, toont inderdaad aan dat we onze huidige visie op de praktijk niet als universeel of tijdloos mogen beschouwen. We kunnen echter niet zomaar het omgekeerde stellen: historische aanwezigheid en maatschappelijke ervaring heeft niet als gevolg dat we kunnen spreken van een universele legitimiteit. Het verleden toont aan dat opvattingen over seksualiteit en leeftijdsgrenzen veranderlijk zijn doorheen de tijd. Het doet echter niet af aan het huidig psychologisch en wettelijk kader dat tot stand is gekomen.

Als tweede wordt de Oudheid naar voren geschoven als een positief alternatief voor het hedendaags discours over intergenerationele relaties. Auteur Colin Spencer schreef een stuk voor NAMBLA waarin hij aankaart dat de interesse van volwassen mannen in adolescenten vanuit een te eenzijdige en negatieve blik wordt bekeken. De huidige maatschappij zou uitsluitend focussen op het seksuele aspect en de machtsongelijkheid en daarbij de mogelijke pedagogische invulling van dergelijke relaties uit het oog zijn verloren. Als oorzaken duidt hij op homofobie en de algemene hysterie omtrent pedofilie. Daartegenover plaatst Spencer de Griekse pederastie, waarin volgens hem wel de balans bestond tussen pedagogie en seksualiteit. Hij beschouwt het als een effectiever opvoedingssysteem dan de moderne pedagogiek. De Oudheid wordt niet alleen aangehaald om aan te tonen dat pederastie een gangbare praktijk was, maar ook voorgesteld als positief tegenmodel. Volgens Spencer zijn we vandaag de vroegere openheid tegenover dergelijke relaties kwijtgespeeld.

Een gelijkaardige redenering komt naar voren in PAN. Edward Brongersma, Nederlands politicus en verdediger van pedofilie, schreef voor het tijdschrift verschillende bijdragen onder de titel ‘Boycaught’. Een daarvan behandelt het verhaal over Alcibiades en diens relatie met Socrates. Brongersma brengt een vrije versie van het verhaal over hun verhouding. Alcibiades wordt voorgesteld als jongeman die door zijn schoonheid en populariteit als ‘eromenos’ verwaand was geworden. Socrates daarentegen, probeerde de jongen opvoeding bij te brengen. Plato vertelt in zijn Symposium hoe Alcibiades Socrates probeerde te verleiden, maar Socrates ging niet in op zijn seksuele avances. Brongersma stelt dat het mogelijk beter was geweest al Socrates hier wél op was ingegaan, aangezien hij de enige was die Alcibiades tot rede kon brengen.

De stap die Brongersma hier maakt, gaat verder dan het benadrukken van de pedagogische invulling van een pederastische relatie. Volgens hem had de seksuele dimensie mogelijk een positieve bijdrage kunnen leveren op de invloed van Socrates op Alcibiades. Verder biedt het verhaal Brongersma de kans om aan te tonen dat de seksuele toenadering vanuit de jongere partner kan komen. Waar Plato de feitelijke afwijzing beschrijft, speculeert hij over wat had kunnen gebeuren als Socrates wel was ingegaan op Alcibiades’ poging tot verleiden. De Oudheid biedt daarmee een kader waartegen onze huidige opvattingen over de invulling van intergenerationele relaties en de handelingsbekwaamheid van de minderjarige ter discussie kunnen worden gesteld.

De derde functie die de Oudheid binnen het activistisch discours draagt, is dat zij zogenaamde boy-lovers de mogelijkheid biedt een identiteit te ontwikkelen, die zich kan spiegelen aan historische precedenten. Niet elke verwijzing naar de Oudheid probeert immers een historisch standpunt te bewijzen. Soms dient zij ook als esthetisch kader of als bron van voorgangers. In PAN verscheen het kortverhaal ‘The Master of Pausias’, geschreven door Jean Loup. Het vertelt over een man die verliefd is op een jongen genaamd Qoor, die reeds overleden is. Hij besluit vervolgens om een eenzame ruimtereiziger te worden, maar komt vast te zitten in de baan rond de planeet Pausias en overleeft ternauwernood. Zijn leven wordt gered door een adolescent, die hem toelaat op de planeet, een waar paradijs. Ze worden verliefd en hebben seksuele betrekkingen. De jongen blijkt eveneens Qoor te heten. Loup vermeldt duidelijk dat hij de planeet heeft vernoemd naar Pausias, de Griekse schilder uit de vierde eeuw v.Chr. De Oudheid dient hier niet als argument om pederastie te verdedigen, maar functioneert als esthetisch kader waartegen hij een verhaal over een pederastische relatie kan plaatsen.

Een andere invulling hiervan is terug te vinden in de rubriek genaamd ‘Boy-Love as a Religion’, geschreven door J. Darling in PAN. Hij argumenteert dat pederastie als een religieus fenomeen kan worden beschouwd, zowel binnen de Griekse cultuur als op zichzelf. Hij wijst erop dat goden zoals Apollo, Dionysos en Hermes aanvankelijk als volwassen mannen met baarden werden afgebeeld. Later kregen zij een jeugdig uiterlijk. De ontwikkeling symboliseert de verschuiving naar de periode waarin pederastie een toenemende populariteit kende. Darling stelt Apollo voor als de god van de hofmakerij. Volgens hem nam boy-love een belangrijke plaats binnen de antieke religieuze ervaringen en heeft het christendom vervolgens die traditie onderdrukt. Hij maakt dezelfde interpretatie voor het heden: pedofilie wordt voorgesteld als viering van de kindertijd en als iets dat diepgeworteld zit in het menselijk karakter. Daarom verwerpt Darling de redenering om pedofilie als perversie te beschouwen.

NAMBLA publiceerde een lijst van bekende voorgangers, die jongens zouden hebben liefgehad. Onder de antieke voorbeelden bevindt zich Pindarus. Hij schreef over zijn erotisch verlangen naar de knaap Theoxenes van Tenedos. Daarnaast halen ze Bagoas aan, de jonge castraat, die volgens Curtius Rufus eerst de geliefde was van Darius III en daarna die van Alexander De Grote. Ook Catullus wordt opgenomen vanwege zijn romantisch gedicht aan het adres van de jongeman Juventius. Een ander bekend voorbeeld is dat van keizer Hadrianus en Antinous. Het laatste antieke voorbeeld is Strato. Hij schreef de ‘Musa Puerilis’, een verzameling van pederastische epigrammen.

De Oudheid biedt hier herkenning voor de gevoelens die moderne ‘boy-lovers’ ervaren. Ze biedt een historisch precedent waarin dergelijke verlangens een plaats konden krijgen en niet altijd als negatief werden ervaren. Het stigma dat vandaag heerst rond hun seksuele voorkeuren, bestond in de Oudheid niet op dezelfde manier. De historische voorbeelden die NAMBLA aanhaalt zijn bovendien niet toevallig gekozen. Figuren zoals grote veroveraars, bekende auteurs en keizers behoren tot de canon van de westerse cultuur. Ze verlenen hedendaagse pederastie enig cultureel prestige. Dat antieke pederastie gangbaar was en in bepaalde contexten geïnstitutionaliseerd was, betekent niet dat daaruit een universele of onafgebroken identiteit van ‘boy-lover’ kan worden gevormd. Antieke knapenliefde functioneerde in haar eigen kader, die fundamenteel verschilt van het hedendaagse kader. Antieke bronnen bieden ons inderdaad historische voorbeelden, maar geen bewijs voor het bestaan van een transhistorische identiteit.

 

3. Een evaluatie van het activistisch discours

De Oudheid draagt binnen NAMBLA en PAN drie functies: zij wordt gebruikt om te spreken van een historische continuïteit, zij biedt een positief alternatief om naar intergenerationele relaties te kijken en krijgt ten slotte een plaats binnen de identiteit die boy-lovers proberen te vormen. Wat daarbij opvalt, is dat de Oudheid niet hét argument bij uitstek vormt binnen activistische betogen. Ze is een van de vele middelen waarmee NAMBLA en PAN zich uitspreken over het debat rond pedofilie. Het verleden biedt hun wel een onmiskenbaar argument: pederastie kon in bepaalde samenlevingen gedijen en in sommige zelfs een geïnstitutionaliseerde plaats innemen. De Oudheid wordt echter niet neutraal ingezet. Het historisch voorbeeld krijgt een overtuigende functie binnen een hedendaags doel. Ook de aspecten van antieke pederastie die belicht worden, zijn niet arbitrair gekozen. De nadruk ligt op voorbeelden die tonen dat pederastie een gangbare en florerende praktijk was, waaruit de adolescent genot haalde. Daarbij werd ze beoefend door prestigieuze historische figuren. Voor de nuances die reeds in de Oudheid bestonden, is daarentegen weinig ruimte. Er wordt dus selectief gebruik gemaakt van antieke knapenliefde.

Het is ook interessant een vergelijking te maken met het academische discours van Hubbard. Beiden gebruiken het antieke voorbeeld om hedendaagse opvattingen over intergenerationele relaties ter discussie te stellen. Zowel Hubbard als NAMBLA en PAN benadrukken de mogelijke voordelen van een pederastische relatie en het bestaan van een balans tussen het pedagogische en seksuele aspect. Ze bekritiseren de huidige meerderjarigheidsgrens en besteden aandacht aan de negatieve gevolgen daarvan voor homoseksuele en biseksuele jongens. Er bestaan echter belangrijke verschillen tussen beide discours. Hubbard onderbouwt zijn betoog door een historische analyse te maken. NAMBLA en PAN vertrekken op hun beurt van een zuiver activistische doelstelling. Het antieke voorbeeld biedt hun stellingen autoriteit. In het activistisch programma staat het huidig standpunt al vast en worden historische voorbeelden aangehaald om dat standpunt te onderbouwen. Selectiviteit is echter niet uitsluitend eigen aan het activistisch discours. Zoals eerder besproken, kiest hij bewust voor het Atheense model, omdat het model uiterst geschikt is voor zijn latere argumentatie. Beiden tonen de risico’s die ontstaan wanneer een praktijk uit haar culturele context wordt losgemaakt, als universeel geldend wordt beschouwd en vervolgens wordt ingezet ter onderbouwing van hedendaagse discussies.

Het staat buiten kijf dat de antieke opvattingen over pederastie fundamenteel anders waren dan de hedendaagse visie op intergenerationele seksualiteit. Dat is ook het historisch argument bij uitstek van NAMBLA en PAN. De Oudheid toont aan dat moderne categorieën, begrippen en leeftijdsgrenzen niet universeel of tijdloos zijn. Daaruit volgt echter niet dat de antieke visie kan worden overgenomen. Dat een praktijk in bepaalde tijden en ruimtes als gebruikelijk werd geacht, betekent niet dat er een algemeen heersende legitimiteit uit voortkomt. Het verleden kan onze huidige opvattingen ter discussie brengen, maar kan niet voorschrijven welke normen vandaag de dag zouden moeten gelden.

 

 

Besluit

Deze masterproef vertrok vanuit de vraag in hoeverre antieke pederastie een rol speelt in hedendaagse discoursen of praktijken van erotisch-seksuele omgang met minderjarigen en welke mogelijkheden en beperkingen daaraan verbonden zijn. Daarbij stonden drie vragen centraal. Allereerst werd onderzocht hoe historisch een onderscheid kan worden gemaakt tussen antieke pederastie en moderne pedofilie. Vervolgens werd bekeken hoe de Oudheid wordt ingezet binnen verschillende hedendaagse discoursen. Tot slot werd de vraag gesteld wat er gebeurt wanneer een historisch fenomeen uit zijn oorspronkelijke context wordt gehaald en wordt ingezet binnen moderne vraagstukken omtrent seksualiteit, toestemming, leeftijdsgrenzen en identiteit. Uit de verschillende hoofdstukken is gebleken dat de Oudheid wel degelijk een belangrijke functie kan dragen binnen hedendaagse debatten. De manier waarop zij wordt ingezet, is echter niet zonder problemen.

Een eerste belangrijke conclusie is dat pederastie en pedofilie niet zomaar met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Pederastie was een historisch fenomeen dat binnen de Grieks-Romeinse samenleving een specifieke sociale en culturele invulling kreeg. Pedofilie is daarentegen een modern begrip, dat pas aan het einde van de negentiende eeuw ontstond en vandaag voornamelijk binnen psychiatrische, psychologische en juridische kaders wordt gebruikt. Ook wat leeftijd betreft, vallen beide begrippen niet volledig samen. Waar pederastie voornamelijk betrekking had op puberale adolescenten, verwijst pedofilie binnen de belangrijkste psychiatrische modellen naar een seksuele voorkeur voor prepuberale kinderen. Daarbij werden leeftijd en levensfasen in de Oudheid op een andere manier benaderd dan vandaag. Een rechtstreekse toepassing van het moderne begrip pedofilie op antieke pederastie houdt bijgevolg onvoldoende rekening met de historische context waarin beide begrippen functioneren.

Daar komt bij dat ook niet gesproken kan worden over dé antieke pederastie. De praktijk kende verschillende invullingen afhankelijk van plaats en tijd en ook binnen eenzelfde samenleving bestonden verschillende opvattingen. Het Atheense model, dat het vaakst naar voren komt binnen zowel het moderne onderzoek als de hedendaagse receptie, vormt slechts één mogelijke invulling. De vergelijking met onder meer Sparta, Thebe en Rome heeft aangetoond dat het pedagogische, seksuele en sociale aspect van de relatie telkens een andere nadruk kon krijgen. Ook binnen Athene bestonden zowel positieve als negatieve opvattingen over pederastie. Het feit dat de praktijk een plaats kende binnen de samenleving betekent dus niet dat zij door iedereen op dezelfde manier werd ingevuld of aanvaard.

Die problematiek kwam duidelijk naar voren in de academische casestudy van Thomas K. Hubbard. Hubbard gebruikt specifiek het Atheense model om hedendaagse opvattingen omtrent toestemming en seksuele meerderjarigheid in vraag te stellen. Zijn historische vergelijking vestigt terecht de aandacht op het feit dat onze huidige ideeën over seksualiteit, leeftijd en toestemming niet universeel of tijdloos zijn. Toch toont zijn benadering ook de beperkingen van een dergelijke vergelijking. Zijn argument dat de ‘eromenos’ over de mogelijkheid beschikte om zijn minnaar te kiezen, betekent niet noodzakelijk dat hij ook toestemming kon geven zoals dat begrip vandaag wordt ingevuld. Bovendien ontbreekt de stem van de adolescent grotendeels in het antieke bronnenmateriaal. Hierdoor berust de stap van handelingsmacht naar toestemming voor een deel op een moderne interpretatie van de bronnen. Hubbard kiest daarnaast voornamelijk die aspecten van het Atheense model die zijn latere betoog ondersteunen. Wanneer hij vervolgens vanuit dat historische voorbeeld de brug maakt naar de huidige seksuele meerderjarigheidsgrens, worden twee samenlevingen met een fundamenteel verschillend kindbeeld en een andere invulling van toestemming en machtsverhoudingen met elkaar verbonden.

Binnen het activistische discours van NAMBLA en PAN krijgt de Oudheid opnieuw een belangrijke, maar andere functie. Daar konden drie verschillende functies worden onderscheiden. Ten eerste wordt antieke pederastie gebruikt om een historische continuïteit aan te tonen. Ten tweede wordt zij voorgesteld als een positief alternatief voor de huidige benadering van intergenerationele relaties. Ten slotte biedt de Oudheid een reservoir van culturele en historische voorgangers waarmee zogenaamde boy-lovers zich kunnen identificeren. Ook hier wordt echter selectief omgegaan met het verleden. De nadruk ligt voornamelijk op voorbeelden waarin pederastie gangbaar was, een positieve invulling kreeg of verbonden kon worden met bekende figuren uit de westerse cultuur. Voor de tegenstrijdige visies die reeds in de Oudheid bestonden, is veel minder ruimte. Dat pederastie in bepaalde historische samenlevingen kon gedijen en zelfs een geïnstitutionaliseerde plaats kon innemen, toont aan dat de huidige visie niet universeel is. Dat betekent echter niet dat uit die historische aanwezigheid een universele legitimiteit kan worden afgeleid.

Hoewel het academische en activistische discours vanuit een verschillende doelstelling vertrekken, vertonen ze op dat vlak een belangrijke gelijkenis. Hubbard vertrekt vanuit een historische analyse, terwijl bij NAMBLA en PAN het activistische standpunt reeds vaststaat en historische voorbeelden worden aangehaald om dat standpunt te ondersteunen. Toch wordt in beide gevallen een selectie gemaakt uit het antieke materiaal. Athene biedt Hubbard het model waarin de seksuele en pedagogische dimensie het beste gecombineerd kunnen worden. NAMBLA en PAN kiezen op hun beurt voornamelijk voorbeelden die een positieve historische invulling van pederastie ondersteunen. Beide tonen daarmee het risico dat ontstaat wanneer een praktijk uit haar plaats en tijd wordt getrokken en vervolgens universeel wordt geacht om hedendaagse debatten mee te staven.

De Oudheid kan dus wel degelijk een waardevolle bijdrage leveren aan hedendaagse vraagstukken. Zij toont voornamelijk aan dat onze huidige categorieën en normen het resultaat zijn van historische ontwikkelingen en bijgevolg niet als vanzelfsprekend of tijdloos mogen worden beschouwd. De studie van antieke pederastie kan onze huidige ideeën over seksualiteit, leeftijd, toestemming en identiteit daarom in perspectief plaatsen. Daar ligt echter ook de grens van wat het historische voorbeeld kan doen. Het aantonen dat een praktijk in een andere samenleving gangbaar of aanvaard was, zegt niets over de vraag of diezelfde praktijk binnen een huidige maatschappelijke, juridische en psychologische context wenselijk is. De Oudheid kan met andere woorden onze hedendaagse opvattingen bevragen en historiseren, maar zij kan deze niet legitimeren. Het verleden kan aantonen dat onze normen niet universeel zijn, maar kan niet voorschrijven welke normen vandaag zouden moeten gelden.

 

 

Bibliografie

Antieke bronnen

Petronius. Satyricon. Translated by Michael Heseltine. Loeb Classical Library 15. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1913. Loeb Classical Library Online.

Pindar. Nemean Odes. Isthmian Odes. Fragments. Vol. 2. Edited and translated by William H. Race. Loeb Classical Library 485. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1997. Loeb Classical Library Online.

Plato. Lysis. Symposium. Gorgias. Translated by W. R. M. Lamb. Loeb Classical Library 166. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1925. Loeb Classical Library Online.

Plutarch. Lives, Volume V: Agesilaus and Pompey. Pelopidas and Marcellus. Translated by Bernadotte Perrin. Loeb Classical Library 87. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1917. Loeb Classical Library Online.

Xenophon. Anabasis. Translated by Carleton L. Brownson. Revised by John Dillery. Loeb Classical Library 90. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1998. Loeb Classical Library Online.

Xenophon. Scripta Minora: Hiero. Agesilaus. Constitution of the Lacedaemonians. Ways and Means. The Cavalry Commander. On the Art of Horsemanship. On Hunting. Translated by E. C. Marchant. Loeb Classical Library 183. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1925. Loeb Classical Library Online.

Secundaire literatuur

Allen, Bill. “Some Boy-Love Stories from The Arabian Nights.” PAN: A Magazine about Boy-Love, no. 12 (1982): 32–34. https://exitinterview.biz/rarities/pan/n12/pan12.pdf.

American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 5th ed. Arlington, VA: American Psychiatric Publishing, 2013.

Angelides, Steven. “The Emergence of the Paedophile in the Late Twentieth Century.” Australian Historical Studies 36, no. 126 (2005): 272–295. https://doi.org/10.1080/10314610508682924.

Blanchard, Ray, Amy D. Lykins, Diane Wherrett, Michael E. Kuban, James M. Cantor, Thomas Blak, Robert Dickey, and Philip E. Klassen. “Pedophilia, Hebephilia, and the DSM-V.” Archives of Sexual Behavior 38, no. 3 (2009): 335–350. https://doi.org/10.1007/s10508-008-9399-9.

Bloch, Enid. “Sex between Men and Boys in Classical Greece: Was It Education for Citizenship or Child Abuse?” The Journal of Men’s Studies 9, no. 2 (2001): 183–204. https://doi.org/10.3149/jms.0902.183.

Boehringer, Sandra. “Les violences sexuelles dans l’Antiquité: où se joue le genre?” In Le corps en lambeaux: Violences sexuelles et sexuées faites aux femmes, edited by Lydie Bodiou, Frédéric Chauvaud, Ludovic Gaussot, Marie-José Grihom, and Myriam Soria, 33–49. Rennes: Presses Universitaires de Rennes, 2016.

Brongersma, Edward. “Boycaught.”PAN: A Magazine about Boy-Love, no. 7 (1980): 28– 29. https://exitinterview.biz/rarities/pan/n7/pan7.pdf.

Buffière, Félix. Eros adolescent: La pédérastie dans la Grèce antique. Paris: Belles Lettres, 1980. Cohen, David. Law, Sexuality, and Society: The Enforcement of Morals in Classical Athens. Cambridge: Cambridge University Press, 1994.

Darling, J. “Boy-Love as a Religion.”PAN: A Magazine about Boy-Love, no. 16 (1983): 13– 16. https://exitinterview.biz/rarities/pan/n16/pan16.pdf.

Dover, Kenneth J. Greek Homosexuality. London: Duckworth, 1979.

Eckert-Lind, Camilla, Alexander S. Busch, Jørgen H. Petersen, Frank M. Biro, Gary Butler, Elvira V. Bräuner, and Anders Juul. “Worldwide Secular Trends in Age at Pubertal Onset Assessed by Breast Development Among Girls: A Systematic Review and Meta-analysis.” JAMA Pediatrics 174, no. 4 (2020): e195881. https://doi.org/10.1001/jamapediatrics.2019.5881.

Foucault, Michel. The History of Sexuality, Volume 2: The Use of Pleasure. Translated by Robert Hurley. New York: Vintage Books, 1990.

Frances, Allen, and Michael B. First. “Hebephilia Is Not a Mental Disorder in DSM-IV-TR and Should Not Become One in DSM-5.” Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law 39, no. 1 (2011): 78–85. https://jaapl.org/content/39/1/78.

Franklin, Karen. “The Public Policy Implications of ‘Hebephilia’: A Response to Blanchard et al. (2008).” Archives of Sexual Behavior 38, no. 3 (2009): 319–320. https://doi.org/10.1007/s10508-008- 9425-y.

Hermans, Lex. Bewust van Andere Lusten: Homoseksualiteit in het Romeinse Keizerrijk. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1995.

Hubbard, Thomas K. Homosexuality in Greece and Rome: A Sourcebook of Basic Documents. Berkeley: University of California Press, 2003.

Hubbard, Thomas K. “Sexual Consent and the Adolescent Male, or What Can We Learn from the Greeks?” Boyhood Studies: An Interdisciplinary Journal 4, no. 2 (2010): 126– 148. https://doi.org/10.3149/thy.0402.126.

Hubbard, Thomas K., and Beert Verstraete, eds. Censoring Sex Research: The Debate over Male Intergenerational Relations. Walnut Creek, CA: Left Coast Press, 2013.

Kulkarni, Kritika, and Renee Sorrentino. “From Perversion to Pathology: A Historical Perspective on Pedophilia.” Psychiatric Times, September 9, 2025. https://www.psychiatrictimes.com/view/from- perversion-to-pathology-a-historical-perspective-on-pedophilia.

Lear, Andrew. “Ancient Pederasty: An Introduction.” In A Companion to Greek and Roman Sexualities, edited by Thomas K. Hubbard, 102–127. Malden, MA: Wiley-Blackwell, 2014.

Loup, Jean. “The Master of Pausias.” PAN: A Magazine about Boy-Love, no. 4 (1980): 10–13.
Nomen Nescio. “Why Holland?”
PAN: A Magazine about Boy-Love (1979): 3– 5. https://exitinterview.biz/rarities/pan/n4/pan4.pdf.

Ondersma, Steven J., Mark Chaffin, Lucy Berliner, Ingrid Cordon, Gail S. Goodman, and Douglas Barnett. “Sex With Children Is Abuse: Comment on Rind, Tromovitch, and Bauserman (1998).” Psychological Bulletin 127, no. 6 (2001): 707–714. https://doi.org/10.1037/0033-2909.127.6.707.

Percy, William Armstrong. Pederasty and Pedagogy in Archaic Greece. Urbana: University of Illinois Press, 1996.

Rind, Bruce. “Hebephilia.” In The SAGE Encyclopedia of Abnormal and Clinical Psychology, edited by Amy Wenzel, 1629–1630. Thousand Oaks, CA: SAGE Publications, 2017.

Rind, Bruce, Philip Tromovitch, and Robert Bauserman. “A Meta-Analytic Examination of Assumed Properties of Child Sexual Abuse Using College Samples.” Psychological Bulletin 124, no. 1 (1998): 22– 53. https://doi.org/10.1037/0033-2909.124.1.22.

Seto, Michael C. “The Puzzle of Male Chronophilias.” Archives of Sexual Behavior 46, no. 1 (2017): 3– 22. https://doi.org/10.1007/s10508-016-0799-y.

 

Shapiro, Julia. “Pederasty and the Popular Audience.” In Ancient Sex: New Essays, edited by Ruby Blondell and Kirk Ormand, 177–207. Columbus: Ohio State University Press, 2015.

Van Hooff, Anton. Klassieke liefde: Eros en seks naar Ovidius. Utrecht: Uitgeverij Omniboek, 2020. Walker, Allyn. A Long, Dark Shadow: Minor-Attracted People and Their Pursuit of Dignity. Oakland:

University of California Press, 2021.
Wilkinson, Lancelot Patrick.
Classical Attitudes to Modern Issues: Population and Family Planning,

Women’s Liberation, Nudism in Deed and Word, Homosexuality. London: Kimber, 1979.
Williams, Craig Arthur.
Roman Homosexuality: Ideologies of Masculinity in Classical Antiquity. New York:

Oxford University Press, 1999.

Colleges

Roels, Rick. “Seksuele- en Genderdiversiteit.” Colleges Geneeskunde, KU Leuven, eerste semester 2025.

Van de Putte, Dirk. “Seksuele Delinquentie.” Colleges Criminologie, KU Leuven, eerste semester 2023.

Websites en online bronnen

Federale Overheidsdienst Justitie. “Seksuele misdrijven.” Geraadpleegd op 30 juli 2026. https://justitie.belgium.be/nl/themas/veiligheid_en_criminaliteit/seksuele_misdrijven.

NAMBLA: North American Man/Boy Love Association. “15 Famous Men Who Had Boy Lovers.” Geraadpleegd op 4 augustus 2026. https://www.nambla.org/famousmen.html.

NAMBLA: North American Man/Boy Love Association. “About: FAQ.” Geraadpleegd op 4 augustus 2026. https://www.nambla.org/faq.html.

NAMBLA: North American Man/Boy Love Association. “About: Who We Are.” Geraadpleegd op 4 augustus 2026. https://www.nambla.org/welcome.html.

NAMBLA: North American Man/Boy Love Association. “Camille Paglia.” Geraadpleegd op 4 augustus 2026. https://www.nambla.org/paglia.html.

NAMBLA: North American Man/Boy Love Association. “Colin Spencer.” Geraadpleegd op 4 augustus 2026. https://www.nambla.org/spencer.html.

NAMBLA: North American Man/Boy Love Association. “Pederasty and Homosexuality by David Thorstad.” Geraadpleegd op 4 augustus 2026. https://www.nambla.org/pederasty.html.

Rijksoverheid. “Nieuwe Wet seksuele misdrijven.” Geraadpleegd op 30 juli 2026. https://www.rijksoverheid.nl/themas/recht-veiligheid-en-defensie/seksuele-misdrijven/wet- seksuele-misdrijven.

The Texas Orator. “Dismissed UT Professor Sought Financial Contribution from Epstein Foundation.” February 3, 2026. Geraadpleegd op 3 augustus 2026. https://thetexasorator.com/2026/02/03/dismissed- ut-professor-sought-financial-contribution-from-epstein-foundation/.

U.S. Department of Justice, Criminal Division. “Citizen’s Guide to U.S. Federal Law on Child Sexual Abuse.” Geraadpleegd op 30 juli 2026. https://www.justice.gov/criminal/criminal-ceos/citizens-guide-us- federal-law-child-sexual-abuse.

World Health Organization. “ICD-10 Version: 2019.” Geraadpleegd op 11 juli 2026. https://icd.who.int/browse10/2019/en#/F65.4.

World Health Organization. “ICD-11 for Mortality and Morbidity Statistics.” Geraadpleegd op 11 juli 2026. https://icd.who.int/browse/2026-01/mms/en#517058174.

World Health Organization. “Violence Against Children.” May 7, 2026.https://www.who.int/news- room/fact-sheets/detail/violence-against-children.

 

 

02/02/2026

Pornografische verbeelding van het nazisme in het naoorlogse Israël en de Verenigde Staten 

Geïnspireerd door het thema ‘seksualiteit in tijden van oorlog en kolonialisme’ richt dit onderzoek zich op seksualiteit ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Na verdere literatuurstudie kwam een relatief weinig onderzocht en op het eerste gezicht paradoxaal fenomeen naar voren, namelijk pornografische publicaties waarin het nazisme en de Holocaust als thematisch kader fungeerden. Zogenaamde nazisploitation vormde een subgenre van sexploitation dat vooral populariteit kende in de jaren ‘60 en ‘70 in Amerika en, opvallend, in Israël. Het genre in Israël kreeg de vorm van gedrukte pulppublicaties en kreeg de naam Stalagfictie, verwijzend naar het Duitse woord Stammlager (concentratiekamp).

 

Seksualiteit is steeds verweven met politieke en maatschappelijke kwesties. Pornografie is daar een sprekend onderdeel van. Die praktijk verbeeldt maatschappelijk relevante thema’s zoals sociale angsten, (veranderende) machtsverhoudingen en politieke conflicten. Zoals Katherine Crawford aantoonde voor de achttiende eeuw, fungeerde erotica als een ruimte waarin grenzen in vraag konden worden gesteld en, indien mogelijk, verschoven. Ondanks deze inzichten blijft het opmerkelijk dat een historisch en moreel zwaarbeladen onderwerp als de Holocaust een plaats kon krijgen binnen pornografische representaties. Volgens Claude Lanzmann, regisseur van de gerenommeerde documentaire ‘Shoah’, is de fictieve verbeelding van de Holocaust, alsook pogingen die fictieve verbeelding te begrijpen, ontoelaatbaar.

Onderzoek naar nazisploitation kan echter waardevolle inzichten bieden in de redenen waarom de Holocaust een plaats kreeg binnen pornografische representaties, zonder daarbij een normatief waardeoordeel te vellen. Deze paper wil concreet ingaan op twee nationale contexten. Enerzijds wil het zich verdiepen in de stalagfictie van Israël en anderzijds in de Amerikaanse nazisploitation, zowel in gedrukte publicaties als films. Het doel is te achterhalen welke invulling de pornografische nazi-pulp kreeg in beide landen. Vervolgens zal de paper onderzoeken waar de gelijkenissen en verschillen liggen. Tenslotte wil het onderzoek begrijpen tegen welke achtergrond en bredere thematieken de nazi-pulp begrepen moet worden. Deze paper beoogt aan te tonen dat de invulling van pornografie sterk cultureel en contextgebonden is.

Stalagfictie

De socio-politieke achtergrond

Om de opkomst en populariteit van de stalags te begrijpen, moet er gekeken worden naar de politieke en maatschappelijke context van het naoorlogse Israël. Op 14 mei 1948 werd de onafhankelijkheid van de staat Israël afgekondigd. De totstandkoming van de staat ging gepaard met de vorming van een nationale identiteit. Dat bleek niet vanzelfsprekend. De staat bestond uit de overlevenden van de Holocaust die zich recent in Israël hadden gevestigd en de Sabra’s die in Israël geboren waren. De Holocaust en diens overlevenden kregen een marginale positie binnen de samenleving. De eerste leiders wilden de staat profileren als sterk en viriel, wat haaks stond op het beeld van de passieve slachtoffers die de uitroeiing ondergingen. Er ontstond een hiërarchie van mentaal en fysiek sterke Sabra’s en de zwakke, feminiene overlevenden.

In het dominante publieke discours werd in de eerste jaren weinig inspanning geleverd om de nazivervolging ten volle te begrijpen, waardoor het idee leefde dat het een keuze was om de Holocaust te ondergaan. Samenhangend bleven de slachtoffers de eerste twintig jaar stil over hun ervaring, omdat het trauma te recent was. De Israëlische bevolking onthaalde de getuigenissen die naar voren kwamen op uiteenlopende manieren. Ze konden soms rekenen op medelijden, maar ook op wantrouwen en neerbuigendheid. Naast de accusatie van lijdelijke slachtoffers gingen ze de overlevenden ook van collaboratie beschuldigen. De Sabra’s waren van mening dat de ‘goede’ Joden als martelaars waren gestorven en dat de overlevenden voornamelijk bestonden uit mannelijke kapo’s en vrouwen die zich zouden hebben geprostitueerd. Daarbij werd er in de jaren ‘50 en ‘60 enigszins met voorzichtige bewondering gekeken naar de nazi’s, aangezien ze uiterst georganiseerd, gedisciplineerd en gemilitariseerd waren. Ze waren erin geslaagd miljoenen Joden systematisch uit te roeien. Ze straalden mannelijkheid uit, wat vooral jonge Sabra’s aansprak. Die tweede generatie, die zelf het trauma niet had ervaren, zocht een eigen invulling van het verleden. Ze balanceerden tussen het verlangen zich te spiegelen aan het boegbeeld van een sterke Israëliër en de confrontatie met het onuitgesproken trauma van hun ouders of naasten.

De omgang met de Holocaust veranderde fundamenteel door het Eichmann-proces. Het proces vond plaats in 1961 in Jeruzalem. De beklaagde was Adolf Eichmann, luitenant-kolonel bij de SS en was een van de hoofdverantwoordelijken van de deportaties van Joden in Europa naar concentratiekampen. Het proces werd internationaal uitgezonden. Getuigenissen waren een belangrijk onderdeel van de rechtszaak. Procureur-generaal Hausner riep meer dan 100 getuigen op, voornamelijk met didactische doeleinden. De herinneringscultuur verschoof van collectieve stilte en nadruk op martelaarschap naar erkenning van getuigenissen en trauma. Er kwam ruimte voor empathie en een grijze zone in plaats van het zwart-witdenken.

 

De voorlopers en het feitelijke fenomeen van stalagfictie

De voorlopers van de stalags waren de boeken van Ka-Tzetnik 135633, pseudoniem voor Yehiel Dinur. Hij had zelf twee jaar gevangen gezeten in Auschwitz. Hij besloot een stem te wezen voor de slachtoffers van de Holocaust en kwam op als getuige in het Eichmann-proces. Hij choqueerde met zijn uitgaves, aangezien hij levendige beschrijvingen van het concentratiekamp gaf en expliciet seksueel geweld beschreef. Zijn bekendste werk, genaamd ‘Het Poppenhuis’ uit 1953, vertelde over een veertienjarig Pools meisje dat verplicht in een bordeel moest werken voor nazi-soldaten. Dat was een fenomeen dat weinig voorkwam. De meeste gedwongen prostitutie was in functie van bevoorrechte gevangenen. Seksuele betrekkingen tussen nazi’s en Joden waren strikt verboden. De bedoeling van Dinur was vooral om de psychologische impact van de Holocaust te belichten. Onbedoeld versterkte ‘Het Poppenhuis’ de gedachte dat de vrouwen die de Holocaust hadden overleefd, zich moesten hebben geprostitueerd. Desondanks was het een eerste stap richting het doorbreken van de stilte. Zijn boeken waren vooral populair bij jongeren. Hun nauwe band met overlevenden, die over hun ervaringen stilzwegen, wekte een grote nieuwsgierigheid. Op die manier probeerden ze in contact te komen met het verleden dat ook hen aanbelangde.

Met voornamelijk als voorbeeld de werken van Ka-Tzetnik ontstond het Israëlisch subgenre: de stalagfictie.Het genre verscheen voor het eerst op de markt enkele maanden na de start van het Eichmann-proces. Het was een goedkoop boekje in de stijl van Amerikaanse pulp met een sprekende afbeelding op de omslag, meestal overgenomen van Amerikaanse tegenhangers. Verder was het voornamelijk tekstueel van aard. Het verkocht zichzelf als vertaalde fictie in het Hebreeuws. De auteur droeg meestal een Engelse of Amerikaanse naam. In feite waren het doorgaans Israëlische auteurs die een pseudoniem hanteerden.  Ze deden dat enerzijds voor commerciële doeleinden en anderzijds om hun schuldgevoel te verminderen. Het genre bracht verontwaardiging met zich mee, hoewel de seksscènes zelden grafisch waren en het eerder als softporn geclassificeerd kon worden. De verontwaardiging was niet zo zeer omdat het nazipersonages betrof, maar vooral omdat het pornografie was dat zo populair werd.

De uitgaves volgden steeds dezelfde verhaallijn. Het begon met een Amerikaanse of Britse mannelijke held, meestal een piloot, die door het noodlot gevangen werd genomen door de nazi’s en naar een concentratiekamp werd gebracht. De verantwoordelijke van het kamp was een wulpse vrouw, de zogenaamde dominatrix. Vaak had zij een eenheid van vrouwelijke officieren onder haar staan. Zij (seksueel) misbruikten de mannelijke gevangenen. Vervolgens ontsnapte de mannelijke held en nam hij wraak. Hij verkrachtte op zijn beurt de vrouwelijke officieren. Tenslotte vermoordde hij ze. Het meest opmerkelijke en sensationele aan het genre was dat de beulen vrouwen waren.  Ze werden afgebeeld volgens het schoonheidsideaal van Hollywood: (meestal) blonde haren, strakke uniformen met een diepe halsuitsnijding en brede heupen. De ruimte waarin het verhaal zich afspeelde, het concentratiekamp, was een totaal ontspoorde institutie. Het was een voorbeeld van de decadentie gepaard met het nazisme.
Dat is een beeld dat sterk heerste in de naoorlogse periode. Herzog argumenteerde ook dat het nazisme werd afgeschilderd als een systeem van seksuele excessen. De morele ontsporing werd gekoppeld aan losbandigheden. 

Er werden meer dan 25 000 exemplaren van de eerste reeks, ‘Stalag 13’, verkocht. Het genre vond zijn grootste afzetmarkt bij jongeren. In tijden van grote populariteit werden er meer dan 70 titels verkocht. De populariteit en de verkoop van stalagfictie daalde vanaf 1962. Enerzijds was er een uitgave, ‘I Was Colonel Shultz’s Private Bitch’, die voor grote opschudding had gezorgd. In tegenstelling tot de wederkerende verhaallijn van het mannelijk slachtoffer was het slachtoffer een vrouw, gevangengenomen door een nazi die haar tot zijn hond maakte. Ze slaagde er uiteindelijk in wraak te nemen en de naziofficier op zijn beurt tot haar hond te maken. De stalag bevatte verder zeer expliciete verkrachtingsscènes. Die uitgave vormde een keerpunt. Er was een stap te ver gegaan en grenzen die gerespecteerd moesten worden, werden overschreden. Anderzijds opende het Eichmann-proces voor velen de mogelijkheid om over de wandaden van de Holocaust te praten en het te verwerken. Daarbij viel de sensatiefactor van nog nooit eerder vertelde verhalen weg. Die twee gelijktijdige gebeurtenissen luidden het einde van het Israëlisch genre in.

 

De functie van stalagfictie

Jongeren werden van vroeg af aan geconfronteerd met de beelden van de Holocaust, bijvoorbeeld van de uitgemergelde gevangenen of de naakte opeengestapelde lijken. Lijden en dood werden onlosmakelijk verbonden met lichamelijkheid en naaktheid. Het is daarom niet vreemd dat ze besloten het genre van pornografie te hanteren, waar lichamelijkheid centraal staat. Het bood jongeren ook de ruimte om met vragen over macht, identiteit en seksualiteit om te gaan. Ze hadden de mogelijkheid om te reflecteren over hoe zij zouden hebben gehandeld in dergelijke omstandigheden. De stalags dienden als fictieve tegenhanger van het Eichmann-proces. De nadruk in het proces lag op getuigenissen van de genocide. De fictie bood een alternatief. Het slachtofferschap stond niet langer centraal, maar de schuivende machtsverhoudingen, het heldendom en de vergelding. Dat sloot aan bij de bredere zoektocht van jongeren om zich te positioneren tegenover zowel de overlevenden, vaak hun ouders, als het zionistisch ideaal van de krachtige en actieve man. Het erotisch karakter lag niet zo zeer in expliciete seksualiteit, maar eerder in de verbeelding van macht, overheersing en onderdrukking. Dat valt binnen het kader van sadomasochisme (SM). Door twee taboes te doorbreken, namelijk seksualiteit en de Holocaust, en het slachtofferschap te herschrijven in termen van conflict en agency, dwong stalagfictie gesprekken af over de Holocaust. Dat was in officiële discours lange tijd ondenkbaar.

Het kamp waar het verhaal zich afspeelde, fungeerde als een ruimte van zonde en ontsporing, waarin dierlijke instincten naar boven kwamen. Het was een plaats waar het normale plaatsmaakte voor het abnormale, waar genderrollen konden worden omgedraaid. Ka-Tzetnik omschreef Auschwitz als een andere planeet. Je kon niet vatten wat zich daar afspeelde. Die allegorie kon hier ook op toegepast worden. De stalag was een andere planeet. Het was geen plaats van uitroeiing en vernietiging, maar een plaats waar er met macht gespeeld werd. Die macht was seksueel opwindend. Op die plek was er ruimte voor helden, overwinning en seksuele praktijken. Dat zijn drie uitingen van levensdrift. De fictieve ruimte bood jongeren de kans een ander verhaal te schrijven en het trauma een andere invulling te geven. Het stelde een schril contrast met de werkelijkheid, waarbij een kamp meestal de eindbestemming betekende. De dood was de oppermeester.  

Het hoofdpersonage was doorgaans een Brit of Amerikaan. Spiegel en anderen verbonden die keuze aan de politieke situatie van naoorlogs Israël. Ze beschrijven de relatie van Israël met Groot-Brittannië als een vorm van symbolische afhankelijkheid, gekenmerkt door zowel bescherming als onderdrukking. Die interpretatie vraagt echter om nuancering. Het Brits of Amerikaanse personage fungeerde als een buitenstaander. Het was noodzakelijk om afstand te creëren tot de feitelijke gebeurtenissen van de Holocaust. Het trauma was te groot en te recent om de gevangenen een Joodse identiteit toe te kennen. Daarbij ondergingen de gevangenen mentale en fysieke vernedering. Israël wilde die voorstelling niet langer met de Joodse gemeenschap geassocieerd zien. De antagonist was een vrouwelijk personage, in tegenstelling tot traditionele genderrollen. Zoals eerder aangehaald werden de overlevenden van de Holocaust initieel bekeken als passieve slachtoffers. Passiviteit verbond men aan vrouwelijkheid. Door de folteraar af te beelden als vrouw, werd de passieve, zwakke rol in die fictieve wereld toegekend aan de nazi’s in plaats van de gevangenen.

Tenslotte eindigde een stalag altijd met de ontsnapping en de wraak van de mannelijke held. De passieve slachtofferrol veranderde in een narratief van verlossing waarin hij kracht kon tonen. Met die wraakactie konden jongeren de slachtofferrol afwijzen en de autonomie uitstallen. Israël hield vast aan het ideaalbeeld van een natie van krachtige mannen. Dat beeld werd concreet vertaald in de soldaat die zijn vergelding kreeg. Het kosmisch evenwicht werd hersteld en het goede overwon het kwade. De man domineerde de vrouw. De ontsnapping en wraakneming deed Israëliërs denken aan het gewapend verzet van zionistische organisaties tegen het Brits mandaat in Palestina tussen 1920 en 1948. In 1947 vond de beroemde gevangenisuitbraak van Akko (Palestina) plaats door de Irgun, een verzetsgroep. Ze kregen een heroïsche status. Het was een gebeurtenis waar veel jongeren naar opkeken. Het einde bood hun ook de mogelijkheid om nazi’s op een andere manier te straffen dan een juridisch proces, ook al speelde het zich af in een fictieve omgeving. Ze achtten het rechtvaardig het principe van oog om oog, tand om tand te hanteren. De lezer haalde plezier uit de macht terug te veroveren na die kwijt te zijn gespeeld.

Amerikaanse nazisploitation

De opkomst en de invulling

In de Verenigde Staten kreeg het nazisme ook een plek in pornografische media. Belangrijk om aan te halen is dat nazifictie in Amerika zowel in gedrukte versies als in films aan bod kwam. Om te begrijpen hoe nazisploitation tot stand is gekomen, moet er gekeken worden naar de bijzonderheid van de Amerikaanse casus. Eerst en vooral wordt het ontstaan van het genre in de Verenigde Staten geanalyseerd. De twee wereldoorlogen vormden een vruchtbare voedingsbodem voor de ontwikkeling van nieuwe thematieken binnen de media, wat onder meer resulteerde in de opkomst van men adventure magazines, een geliefd genre vanaf de jaren ‘40. Het typische plotapparaat bestond uit een mannelijke held, die een vrouw in nood ging redden. Het goede overwon het kwade. Meestal speelde het verhaal zich af in oorlogscontext. In de jaren ‘60 vond een shift naar meer geweld plaats. Oorlogsverhalen in de media werden wreder en sensationeler. In die context werden torture magazines populair, waarbij doorgaans vrouwen slachtoffer waren van extreme mishandeling aan de hand van een mannelijke beul. Binnen die twee genres vond nazisploitation zijn inspiratie. Het was formeel een subgenre van sexploitation, dat tot stand was gekomen door versoepeling van de censuur en de opkomst van progressieve filmstromingen. Seksuele taferelen vormden de belangrijkste aantrekkingskracht, terwijl narratieve diepgang grotendeels ontbrak.

In de Amerikaanse pornografische nazifictie was de schurk bijna altijd een mannelijke SS-officier, die vrouwelijke gevangenen mishandelde. Concreet betrof 75 procent van de nazifictie een vrouw als slachtoffer. Hij werd gekarikaturiseerd en als bijna monsterlijk afgebeeld. De nazisymboliek was talrijk aanwezig. Verwijzingen naar slavernij, seksuele perversie en sadisme kwamen veelvuldig aan bod. Het geweld naar de vrouwelijke gevangenen was extreem en sadistisch, maar dat viel niet af te lezen aan hun gelaat. Het drukte hooguit stress en verbazing uit. Het lijkt waarschijnlijk dat een aanblik van doodsangst schuldgevoelens zou oproepen bij de lezer. Het lichaam van de vrouw werd afgebeeld naar de standaarden van Hollywood: een grote boezem, een kleine taille, brede heupen en volumineuze haren. Gruwelijke feiten speelden zich af, maar het bleef aangenaam om naar de vrouw in kwestie te kijken. Aanvankelijk was een redding van de vrouw door een Amerikaanse held mogelijk, maar die held speelde een steeds kleinere rol. Midden in de jaren 60 verdween hij volledig van het toneel.

De mannelijke figuur die nu het meest centraal stond, was de folteraar. Het was niet toevallig dat in diezelfde periode de welvaartskloof groter werd, de Vietnamoorlog plaatsvond en het feminisme zijn doorbraak kende. De bedreigingen die de witte man ervaarde in het echte leven, kon hij overwinnen in de fantasiewereld. Perioden van oorlog en sociale complexiteiten gingen vaak gepaard met een nood aan bevestiging van het mannelijk ideaal. Chauncey bood hier een vroeg voorbeeld van, namelijk in de retoriek van Theodore Roosevelt. Aan het einde van de negentiende eeuw koppelde hij internationale suprematie aan mannelijkheid en geweldsbereidheid. In de context van de Vietnamoorlog stimuleerde de media, zoals de nazifictie, het mannelijke ideaalbeeld. Veel mannen bleken ook misnoegd met de opkomende zelfstandigheid van de vrouw en het feminisme. De vertrouwde grenzen tussen het mannelijke en het vrouwelijke schenen te vervagen. Ze konden in een fantasiewereld hun ontstemming op een gewelddadige manier uiten. De volledige macht over vrouwen definieerde de mannelijkheid van de folteraar. De man herwon de controle en de patriarchale orde werd hersteld. Waarbij fictie mannelijkheid eerder koppelde aan morele superioriteit en heldenmoed, werd in deze exploitatiecontext mannelijkheid geherdefinieerd naar dominantie.

 

Een vergelijking met de Israëlische stalagfictie 

Het is opvallend dat stalagfictie en nazisploitation vergelijkbaar zijn door het gebruik van nazisymboliek, geweld en seksualiteit. Toch vervulden beide fenomenen fundamentele verschillende culturele functies. Stalagfictie ontstond in een context waarin de samenleving nog geen ruimte had geboden aan de verwerking van de Holocaust. De overlevenden werden als zwak gepercipieerd en afgezet tegenover de sterke en vitale Sabra’s. De boekjes boden jongeren een fictieve ruimte om experimenteel om te gaan met het onuitgesproken trauma. Seksualiteit diende voornamelijk als taal van macht, vernedering en overheersing, niet als doel op zich. In Amerikaanse nazisploitation daarentegen stond, in plaats van traumaverwerking, sensatie van geweld en oorlog centraal. De fantasiewereld herbevestigde de mannelijke dominantie te midden van maatschappelijke onzekerheden, zoals de Vietnamoorlog en het feminisme.

Waar stalags kozen voor een vrouwelijke beul, gaven de Amerikaanse tegenhangers de voorkeur aan een mannelijke schurk. De grootste uitzondering was de Canadese film ‘Ilsa, She-Wolf of the SS’ (1975), waar een dominatrix heerste over mannelijke en vrouwelijke gevangenen. De film toonde veel gelijkenissen met de Israëlische traditie. Het is daarom niet verbazend dat de film grote populariteit kende in Israël. Tenslotte verschillen beiden in de temporele dynamiek. De populariteit van stalagfictie nam sterk af met het einde van het Eichmann-proces. Nazisploitation bleef nog jaren floreren in de Verenigde Staten. Het herbevestigt dat nazifictie in Israël gericht was op traumaverwerking. Door het proces had men andere manieren gevonden om de herinnering aan de Holocaust te verwerken.

Slotwoord 

Dit onderzoek toont aan dat pornografische media betekenisvolle praktijken vormen waarin maatschappelijke onrust, trauma en schuivende machtsverhoudingen werden benoemd. Door de vergelijking tussen stalagfictie en nazisploitation te maken, bleek de identieke symboliek andere functies te vervullen, afhankelijk van de sociopolitieke context. In Israël functioneerde de stalag als een tijdelijke en fictieve ruimte waarin jongeren het trauma van de Holocaust konden benaderen, herwerken en hervertellen in termen van macht, agency en omkering van slachtofferschap. Seksualiteit diende niet primair het erotisch genot, maar als taal om onuitgesproken lijden te uiten.

In de Verenigde Staten had nazisploitation een plaats binnen het commerciële exploitatiegenre, dat meer gericht was op sensatie en de herbevestiging van de traditionele genderhiërarchie in tijden waarin die onzeker was. De vergelijking tussen beide invullingen toont aan dat pornografie sterk beïnvloed werd door actuele thema’s. Het maakte maatschappelijke kwesties zichtbaar. Deze paper pleit ervoor ook ongemakkelijke en moreel beladen bronnen, zoals pornografie, een volwaardige plaats te geven binnen wetenschappelijk onderzoek. Zij tonen hoe seksualiteit historisch dienstdeed als een plaats waar macht, geweld en herinnering samenkwamen.

Bibliografie

Bridges, Elizabeth; Magilow Daniel H. en Vander Lugt, Kristin T. Nazisploitation!: The Nazi Image in Low-Brow Cinema and Culture. New York: Continuum, 2012.

Chauncey, George. Gay New York: Gender, Urban Culture, and the Making of the Gay Male World, 1890-1940. New York: Basic Books, 1995.

Costa Braga, Sabrina. ‘A Literatura Ilegítima da Shoah: Ka-Tzetnik e as Stalag Fiction’. Topoi 25 (2024): 1-20. https://doaj.org/article/3624d42c09d94c3eaaf64a60097bf85f.

Crawford, Katherine. ‘Erotica: Representing Sex in the Eighteenth Century’. In A Cultural History of Sexuality in the Enlightenment. Onder redactie van Julie Peakman. Londen: Routledge, 2014: 202-222.

Herzog, Dagmar. Sexuality in Europe: A Twentieth-Century History. Cambridge: Cambridge University Press, 2011.  

Parfrey, Adam. It’s a Man’s World: Men’s Adventure Magazines, the Postwar Pulps. Port Townsend: Feral House, 2015.

Pinchevski, Amit en Brand, Roy. ‘Holocaust Perversions: The Stalags Pulp Fiction and the Eichmann Trial’. Critical Studies in Media Communication 24, nr. 5 (2007): 387-407. https://www-tandfonline-com.kuleuven.e-bronnen.be/doi/full/10.1080/07393180701694598.

Rapaport, Lynn. ‘Holocaust Pornography: Profaning the Sacred in Ilsa, She-Wolf of the SS’. An Interdisciplinary Journal of Jewish Studies 22, nr.1 (2003): 53-79. https://muse.jhu.edu/article/47314.

Gross, Andrew en Hoffman, Michael J. ‘Holocaust Pornography: Obscene Films and Other Narratives’. Polish Journal for American Studies 4 (2010): 75-95. https://thestacks.libaac.de/server/api/core/bitstreams/6394ba5b-581d-4f82-a24b-4953d051ca3f/content.

Spiegel, Jasmin; Dekker, Arne; Briken, Peer; Gomille, Anika en Rettenberger, Martin. ‘Shoah Pornography: The Phenomenon in Israel During the 1960s’. Frontiers In Psychology 16 (2025): 1-11. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC12258044/.